Zoals wij hebben gezien is het aan de structuur van onze constitutie toe te schrijven, dat de volle, totale werkelijkheid, ons eigen subject inbegrepen, ons in eerste instantie als tweeheid verschijnt. Het kennen overwint deze tweeheid doordat het uit de beide elementen van de werkelijkheid, uit de waarneming en uit het door denkarbeid verworven begrip, het gehele ding samenvoegt.
De wereld is ons als tweeheid gegeven (dualistisch) en het kennen verwerkt haar tot eenheid (monistisch). Een filosofie die van dit grondbeginsel uitgaat, kan als monistische filosofie of als monisme worden aangeduid.
De aanhanger van een monistische wereldbeschouwing weet, dat alles wat hij ter verklaring van een hem gegeven verschijningsvorm der wereld nodig heeft, in het gebied van deze wereld moet liggen. Wat hem verhindert om tot een verklaring te komen, kunnen slechts toevallige tijdelijke of ruimtelijke belemmeringen of onvolkomenheden van zijn organische gesteldheid zijn. Wel te verstaan, niet van de menselijke organische gesteldheid in het algemeen, doch slechts van zijn speciale, individuele constitutie.
De voorwaarden die voor het tot stand komen van het kennen vooropgesteld worden zijn er derhalve door en voor het Ik. Dit stelt zichzelf de vragen voor het kennen. Het ontleent deze vragen trouwens aan het in zich zelf volkomen heldere en doorzichtige element van het denken.
Wat echter heden niet is gevonden, kan morgen gevonden worden. De hierdoor gestelde grenzen zijn slechts van vergankelijke aard, en kunnen met een voortschrijdende ontwikkeling van waarnemen en denken worden overwonnen.
Om kort te gaan, de naieve mens verlangt naast het ideele bewijs van zijn denken nog het reele van zijn zinnen. In deze behoefte van de naieve mens ligt de oorzaak van het ontstaan der primitieve vormen van openbaringsgeloof.
Voor het monisme ligt de zaak anders. Door de constitutie van het waarnemende wezen wordt de vorm bepaald waarin de samenhang van de wereld, in subject en object uiteen gerukt, in verschijning treedt. Het object is niet absoluut, doch slechts relatief ten opzichte van dit bepaalde subject. De overbrugging van de tegenstelling kan dientengevolge ook slechts weer op de geheel specifieke wijze, die uitsluitend aan het menselijk subject eigen is, geschieden. Zodra het IK, dat in het waarnemen van de wereld is afgescheiden, bij de denkende beschouwing zich weer in de samenhang der wereld invoegt, houdt al het vragen, dat selchts een gevolg van de scheiding was, op.