In de wereld van de waarnemingen nemen wij onszelf waar.
Deze zelfwaarneming zou per slot een onder de vele andere waarnemingen blijven, wanneer niet midden uit deze zelfwaarneming iets opdook, dat zich ertoe leent de waarnemingen in het algemeen, derhalve ook de gezamenlijk andere waarnemingen, met de waarneming van onszelf te verbinden
Dit iets is het denken en de ideële factoren zijn de begrippen en ideeën. Het denken treedt derhalve in de eerste plaats aan de waarneming van het zelf op; het is echter niet louter subjectief, immers eerst met behulp van het denken duidt het zelf zich als subject aan.
Wij betrekken de waarneming niet slechts ideëel door het begrip op onszelf, doch ook nog door het gevoel. Wij zijn derhalve geen wezens met een levensinhoud van louter begrippen.
Er is nog een andere wijze waarop de menselijke persoonlijkheid tot uiting komt. Het Ik leeft door zijn denken het algemene leven van het gehele wereldbestaan mede; het betrekt door het denken zuiver ideëel (in begrippen) de waarnemingen op zichzelf, zichzelf op de waarnemingen. In het gevoel beleeft het Ik een relatie van de objecten tot zijn subject; bij de wil is het omgekeerde het geval. In het willen hebben wij eveneens een waarneming voor ons, namelijk de individuele relatie van onszelf tot het objectieve. Wat bij het willen niet zuiver ideële factor is, dat is eveneens slechts object van het waarnemen evenals dit bij ider willekeurig ander ding van de buitenwereld het geval is.
Wie zich namelijk op het wezenlijke denken toelegt, vindt daarin zowel gevoel als wil, beide ook in hun diepste werkelijkheid; wie zich daarentegen van het denken afwendt, en zich tot louter voelen en willen bekeert; verliest uit deze beide de ware realiteteit. Wie in het denken intuïtief wil beleven, zal ook het beleven in voelen en willen recht laten wedervaren; gevoelsmystiek en wilsmetafysica kunnen echter het doordringen van het bestaan met het intuïtieve denken niet naar waarde schatten.