Filosofie der Vrijheid
in vogelvlucht door Jan Verhoeven

9. De idee van de vrijheid

In de lijn van de voorafgegane uiteenzettingen zal slechts een inzicht in de samenhang van denken, bewust "Ik" en wilshandeling kunnen worden verkregen, wanneer eerst wordt nagegaan, hoe de wilshandeling uit de menselijke constitutie voortvloeit.

Voor de afzonderlijke wilshandeling komen het motief en de drijfveer in aanmerking. Het motief is een aan het begrip of aan de voorstelling gebonden factor. De drijfveer is de wilsfactor die direct verband houdt met de constitutie van de mens.

De drijfveren van de zedelijkheid kunnen wij vinden door na te gaan uit welke elementen het individuele leven is samengesteld.

De eerste trap van het individuele leven is het waarnemen. De drijfveer van de mens die hierbij in aanmerking komt, wordt kortweg aangeduid als "drift".

De tweede sfeer van het menselijk leven is het voelen. Wanneer ik een hongerig mens zie dan kan mijn medegevoel met hem de drijfveer van mijn handelen worden

De derde levenstrap is het denken en voorstellen. Louter door innerlijk overleg kan een voorstelling of een begrip tot motief van een handeling worden. Voorstellingen worden tot motief, doordat wij in de loop van het leven voortdurend aan waarnemingen, die in min of meer gewijzigde vorm herhaaldelijk wederkeren, bepaalde doelstellingen van het willen vastknopen. Wij kunnen deze aldus aangeduide drijfveren van het willen de praktische ervaring noemen.

De hoogste trap van het individuele leven is het denken in begrippen zonder betrekking tot een bepaalde waarnemingsinhoud. Wij bepalen de inhoud van een begrip door reine intuitie vanuit de ideele sfeer. Wanneer wij onder invloed van intuities handelen, dan is de drijfveer van ons handelen het reine denken. De op deze trap gekenschetste zedelijke drijveer kan men de praktische rede noemen.

Tot een daadwerkelijke wilshandeling komt het echter slechts, wanneer op een bepaald moment een aandrift tot handelen, in devorm van een begrip of van een voorstelling, op mijn karakter werkt.

De motieven der zedelijkheid zijn voorstellingen en begrippen.

De voorstelling van eigen of andermans welzijn wordt echter terecht als wilsmotief gezien.

Als volgend motief moet dan de zuivere begripsinhoud van een handeling worden gezien.

Het hoogst denkbare zedelijksheidsprincipe is echter dat beginsel, waarbij niet van te voren reeds een dergelijke betrekking bestaat, doch dat uit de bron der reine intuitie ontspringt en achteraf eerstde betrekking tot de waarneming (tot het leven) zioekt.

Bij nauwkeuriger beschouwing blijkt weldra, dat op deze trap van zedelijkheid drijfveer en motief samenvallen, d.w.z. dat noch een van te voren vaststaande karakteraanleg, noch een uiterlijk als norm aangenomen zedelijk beginsel op ons handelen werkt.

Het individuele in mij is niet mijn organisme met zijn driften en gevoelens doch de ene en enige wereld van de idee, die in dit organisme oplicht.

Vrij is de mens, in zoverre hij op ieder tijdstip van zijn leven in staat is zichzelf te volgen.

Vrij zijn wij in zoverre wij slechts onszelf volgen, onvrij voor zover wij ons onderwerpen. Wie van ons kan zeggen, dat hij in al zijn handelingen werkelijk vrij is? Maar in ieder van ons woont een dieper wezen waarin de vrije mens zich uitspreekt.

Ons leven is een aaneenschakeling van vrije en onvrije handelingen.

Een vrij wezen kan alleen de mens van zichzelf maken.