Volgens de opvatting van het monisme handelt de mens deels vrij, deels onvrij. Hij vindt zichzelf onvrij in de wereld der waarnemingen staan en brengt in zichzelf de vrije geest tot verwezenlijking.
Een ieder van ons is geroepen tot vrije geest, zoals iedere rozenkiem voorbestemd is roos te worden.
Het monisme is er zich van bewust, dat een wezen, dat onder een fysieke of morele dwang handelt, niet werkelijk zedelijk kan zijn. Het beschouwt het doorlopen van de trappen van het automatisch handelen (volgens natuurlijke driften en instincten) en van gehoorzame handelingen (volgens zedelijke normen) als noodzakelijke voorstadia der zedelijkheid, doch het ziet de mogelijkheid in deze beide doorgangsstadia door de vrije geest te overwinnen.
Voor eeb inzicht dat doorschouwt, hoe ideeen intuitief worden beleefd, als iets wezenlijks, dat in zichzelf is gegrond, wordt duidelijk, dat bij het kennen de mens zich in de regionen van de ideeenwereld in een voor alle mensen gelijk zijnde eenheid inleeft. Wanneer hij echter aan deze ideeenwereld d eintuities voor zijn wilsdaden ontleent, dan individualiseert hij een deel van zijn ideeenwereld door dezelfde activiteit, die hij bij het geestelijk-ideele kenproces als een algemeen menselijke werkzaamheid uitoefent.
Daarin ligt juist de karakteristiek van het menselijkj wezen, dat datgene wat in de mens intuitief moet worden begrepen, zich als een levende slingering heen en weer bewegt tussen het algemeen geldende kennen en het individuele beleven van dit algemene.