Wie de mensen beoordeelt naar het soortkarakter, komt juist tot aan de grens, waarboven zij aanvangen persoonlijkheden te zijn, wier activiteit op een vrij bepalen vanuit zichzelf berust. Wat beneden deze grens ligt, kan natuurlijk object van een wetenschappelijke beschouwing zijn. De kenmerkende eigenschappen van ras, stam, volk en geslacht vormen de inhoud van gespecialiseerde wetenschappen. Slechts mensen die uitsluitend als exemplaren van de soort zouden willen leven, zouden kunnen voldoen aan het algemene beeld dat door dergelijke wetenschappelijke beschouwingen wordt ontworpen. Doch al deze wetenschappen kunnen niet doordringen tot de bijzondere inhoud van de op zich zelf staande individualiteit. Waar het gebied van de vrijheid begint (van het denken en handelen), houdt het onderbrengen van het individu onder de wetten van de soort op.
Men kan ook zeggen: het zedelijk leven van de mensheid is de totaliteit van de scheppingen der morele fantasie door vrije individuele mensen. Tot dit resultaat leidt het monisme.