Hieronder vindt je enkele gebeden die in de loop van de jaren ontstonden. Ik vind gebed eigenlijk een veel te groot woord en spreek dan ook liever van gebedjes.
Eind 1997 is er iets in mij geknakt dat in september 2004, tijdens een bedevaart naar Lourdes en La Salette pas weer geheeld werd. Mijn gebedjes en versjes schrijf ik op in kleine boekjes. In 1997 stopte het. Nu stroomt het weer. Ik voel mij geen dichter of schrijver. Zoals zovelen wil ik enkel het onuitspreekbare woorden geven en deze woorden delen met wie er open voor staat.
2378 - 28 september 2004.
Nooit zag ik je ogen, Jouw vriendelijk gezicht.
Nooit hoorde ik je stem, Jouw woord dat pijn verlicht.
Toch ben Jij die Ene, mijn Vriend die altijd wacht.
Die in mij dit Woord heeft thuisgebracht:
Jij bent mijn Weg, mijn Waarheid en mijn Levenskracht.
2374 - 9 november 1997.
Jij bent in mij gekomen,
Gekomen op mijn eerste dag.
Jij hebt in mij mijn pijn vernomen,
Lachte in mijn eerste lach.
Jij bent het Licht dat in mij baadt.
Jij bent mijn oog dat opengaat.
Jij hebt mij steeds weer aangenomen,
Jij, mijn God en toeverlaat
wil ik vragen om de woorden,
om de bloem geworden ogen,
om te kunnen blijven geven
aan de wind en aan de wolken
aan uw kind dat voor mij staat.
Jij bent het geven en vergeven,
de stroom die verder gaat.
Jij bent in mij gekomen
opdat ik Jou vertellen mag.
2372 - 9 november 1997.
Ik heb van U zo veel gekregen.
Het licht dat in mij waadt,
de milde, zachte zomerregen,
de sterren in mijn nachtgewaad.
Met U verlaat ik nu de oude wegen,
Zoek de mens die voor mij staat.
In geven voel ik U bewegen,
zingt een lied in mijn gelaat.
1915 - september 1992
Jij bent voedsel,
Jij bent woning,
Hoop van elke dag,
Van de bloem de eerste honing,
Van haar kind de eerste lach.
1767 - tot een gestorvene
Jij mens aan gene zijde,
in mijn diepste grond gedacht,
leidt mij naar de open weide,
waar een vriend mij blij verwacht.
1759 - tot Christus
Stralend leef Jij in mijn hart,
verwarmt de koude dagen,
maakt mij soms verward,
verlegen in mijn vragen.
1533 - maart 1992
Ik ben van U,
van U alleen,
in heel mijn kleine spreken,
gedragen door het water heen,
tot waar mijn hoofd kon breken.
In dagen nog een nacht te leen,
heb ik kort op U geleken,
was ik blad en glimmersteen.
Vol van licht kwam U ontsteken,
een laatste groet, zo ging U heen.
Juichend zie ik nu het teken,
het vers waarin ik ween
om wat zo zeer mij is gebleken:
ik ben van U,
van U alleen.