Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook en taal en teken heeft:
blaren van de boomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stroomen
klappen luide en welgezond,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
't diep gedoken Woord zoo zoet...
als de ziele luistert!
Dit gedicht van Guido Gezelle vertolkt mijn beleving van de ziel. Over de ziel wil ik vertellen op eigen wijze, zonder een definitie te kunnen of willen geven. En wanneer ik vertel over de ziel gaat dat over wat ik gedacht, gevoeld en gewild heb.
Voelen is voor mij: het zien van een blauwe lucht; voelen hoe ik fiets in de wind; voelen hoe ik adem; voelen hoe de gedachten blijven komen wanneer de slaap op zich laat wachten; vreugde en verdriet voelen; verwachting en hoop voelen; liefde voelen; voelen hoe het is om aardappels te bakken; een gedicht voelen; muziek voelen; het spreken voelen; elke gedachte voel ik; elke kleur; water dat tussen de vingers van mijn hand stroomt; ik voel soms mijn pijnlijke hoofd; de manier waarop ik zit, lig of sta; ik voel even wicht, mijn hart, mijn zin in het leven, welbehagen en onbehagen; ik voel sympathie en antipathie, ik voel angst en vrees, twijfel en de paradox, ik voel humor, de sprankeling van een lach; ik voel de weerstand van het hout bij het zagen, de blaren op mijn duim, koude voeten; ik voel de geur van zilte lucht; ik voel majeur en mineur, de helderheid van de kleuren, de spiegeling in een plas, de flonkering van de sterren; ik voel de waarheid van een gedachte, het mooie van een beweging; ik voel drift, begeerte, hon ger en dorst; ik voel eenzaamheid, geluk en samenzijn; ik voel verandering, ritme, maat en melodie. Dat alles en nog veel meer voel ik. En bij alles wat ik voel is er een dubbele ervaring: aan de ene zijde is er iets in mij dat dit voelen draagt, dat maakt dat ik bepaalde dingen makke lijk in vreugde kan voelen en andere zaken slechts met moeite; aan de andere zijde is er iets in mij dat verandert en groeit, dat maakt dat ik iets ook mooi kan leren vinden en kan leren om van een handeling te genieten. Dat laatste vind ik echt prachtig: dat je kunt leren. Als jong kind al vond ik akkers met wuivend graan prachtig. Nu nog steeds. Maar het is telkens weer nieuw. Ik gebruikte toen en nu het woord mooi, maar het gevoel dat met mooi wordt uitgedrukt is steeds anders. Een blauwe hemel voel ik niet elke dag als mooi, en bovendien is het blauw van de hemel geen dag hetzelfde. Naarmate de jaren vorderen ontstaat bij mij steeds meer het besef dat ik mag voelen om de schoonheid te ervaren, en om daar waar ik nog geen schoon heid kan voelen zowel mijzelf als de wereld tot schoonheid te brengen. Soms moet ik het schone leren voelen, dan weer roept het gevoel op tothandelen om dat wat lelijk is in de wereld samen met anderen: schoon te maken, te genezen. Guido Gezelle voelde de schoonheid en zong erover zoals in het volgende gedicht:
De vlaamsche tale is wonder zoet,
voor die heur geen geweld en doet,
maar rusten laat in 't herte, alwaar,
ze onmondig leefde en sliep te gaar,
tot dat ze, een wakker, vrij en vrank,
te monde uitgaat heur vrijen gang!
Wat verruwprachtig hoortoneel,
wat zielverrukkend zingestreel,
o vlaamsche tale, uw' kunste ontplooit,
wanneer zij 't al vol leven strooit
en vol onzegbaar schoonzijn, dat,
lijk wolken wierooks, welt
uit uw zoet wierookvat!
Ik heb niet alleen het leven gevoeld, maar het ook gedacht. Vanaf dat ik kon lezen wilde ik weten en begrijpen. Toen ik veertien jaar was hoorde ik de leraar nederlands een gedicht verklaren. Ik was het niet met hem eens. Een gedicht toelichten dat kon, maar dan zo dat het gevoel daardoor werd verdiept. Zijn verklaring bracht het zingen terug tot abstracte begrippen. Bij mij kwam de vraag op: wat is de ware benadering. Hoe kan ik het gedicht niet alleen voelen maar ook zo denken dat het waar is. In het zelfde jaar vertelde een geschiedenisleraar die ook actief was in de toen net opgerichte PPR over het tijdperk van de Verlichting. Hij gaf ons een beeld van die tijd. Een week later zij hij:maar je kunt er natuurlijk ook anders naar kijken. Dat deed hij en vroeg vervolgens aan de klas: hoe zou je vanuit dit gezichtspunt de tijd van de Verlichting noemen. Van vele zijde klonk er: Verduistering! Toen ontwaakte lang zaam in mij het besef dat je de waarheid niet kunt bezitten. De schoonheid kan in je groeien maar de waarheid kan niet op dezelfde manier in je groeien. Bij het zoeken naar waarheid moet je veel meer wakker blijven dan bij het voelen van schoonheid. Tegelijk ook voelde ik voor het eerst het wezen van de taal. Twee mensen kunnen hetzelfde in heel verschillende bewoordingen kleden waardoor het lijkt alsof ze elk iets anders in het midden brengen. Tijdens de godsdienstles spraken we over de brief van Paulus, de brief waarin hij de liefde bezingt. Meteen al werd duidelijk dat elke klasgenoot bij het horen van dit woord iets anders beleefde. Later bij het lezen van de filosofen: Plato, Aristoteles, Levi nas, Marcel, Spinoza, was ik niet alleen geboeid door hun gedachtengang maar leefde ook met hen mee in de worsteling om het onzegbaar in woorden vorm te geven. Nog weer later beleef de ik dat heel sterk bij het lezen van Rudolf Steiner. Waar een bovenzinlijke ervaring in taal wordt gegoten moet de lezer met heel zijn ziel luisteren. Je moet dan zo'n mens werkelijk leren verstaan. Alsof hij een nieuwe taal spreekt. Natuurlijk gebruikt zo'n mens woorden die je meestal (niet altijd) in het woordenboek kunt opzoeken, maar daarmee versta je zijn taal nog niet. Voor mij is dan langzaam het denken geworden: luisteren of ik een mens of een gebeuren versta. Versta ik de taal die een roos spreekt vanaf het zaadje tot het nieuwe zaad. Ik mag zeggen dat ik veel naar het licht heb geluisterd. Het licht dat in goud om de donkere wolken speelt, het licht dat kleuren tevoorschijn tovert. Langzaam ga ik dit licht voelen. Maar verstaan is nog heel moeilijk. Vorig jaar zag ik in Rotterdam schilderingen van Jawlenski. Speciaal zijn 'Heilandgesichter' spraken mij aan. Ik bedoel dat letterlijk. Ik kon ze verstaan. De kleuren deden mij niet enkel hun schoonheid voelen maar deze schilder had de kleuren wer kelijk tot een volmenselijk spreken gebracht. De kleuren waren niet alleen mooi, maar vooral ook: waar. Soms denk ik wel eens: al ons denken is enkel voorspel tot het verstaan van de wereld, tot het verstaan van die hemelse scheppingstaal. Het gevoel is als een voetpad dat leidt naar het verstaan. Dat voetpad moet je met je denken begaan. Nu moet ik mij nog preciezer uitdrukken. Wat is denken voor mij. Denken is voor mij tweeledig, een ritmische afwisseling tussen twee activiteiten. De eerste activiteit is proberen te begrijpen met alle middelen die je in je draagt; denken op de manier zoals het woor denboek dat omschrijft; denken met je verstand. Maar dat is nog maar een deel van het denken. De tweede activiteit is het luisteren, denken met het hart. Een jaar geleden kwam de volgende spreuk in beeld: 'denkend voel ik mij een met de stroom van het wereld gebeuren'. Die spreuk zij zelf al hoe je moet denken. Je mag die spreuk overdenken. Maar daarna moet je hem ook beluisteren, bevoelen. Alleen die spreuk in jeziel dragen en al het andere vergeten. Schoonheid en waarheid, de goede wil vooral ook proeven en voelen die in deze spreuk ligt. Het mooie en vreugdevolle is dat beide activiteiten elkaar bevruchten. Op zeker ogenblik heb je iets 'doodgedacht'. Door te luisteren kun je het dan weer tot leven brengen. Dit kun je doen met alles wat je kunt beleven: een klank, een woord, een spreuk, een beeld. Ook in Rotterdam, staande voor 'Erwartung' van Jawlenski heb ik over dacht en geluisterd. Misschien is het wel goed om eerst te overdenken, alles bewust te zien: de lange haarlok, de stand van de grote ogen, de vorm van de mond, innerlijk de kleuren benoemen die zijn gebruikt. Maar dan mag je ook luisteren naar de taal die de schildering spreekt. Ik begon met een gedicht van Guido Gezelle: 'als de ziele luistert'. Misschien kun je het volgende proberen. Overdenk dit gedicht en beluister het daarna. Doe met het tweede gedicht het omgekeerde: eerst beluisteren, proeven, en daarna overdenken. Ik ben benieuwd of je het verschil ervaart. Denken zal ik mijn leven lang blijven doen. Denken op de manier zoals ik beschreef: ritmisch afwisselen tussen overdenken en luisteren of verstaan.
Nu kom ik aan het laatste: willen. Lange tijd heb ik gedacht dat ik veel heb gewild. Eerst het voorbije jaar ontdekte ik iets dat met het willen heeft te maken. Ik besefte dat ik vaak pas ach teraf kon zeggen of ik iets gewild had. Wat ik tevoren aanduidde met: ik wil, dat was in feite: wensen, verlangen, aangetrokken of gestuwdworden. Steeds vaker komt het voor dat ik iemand ontmoet en dan direkt weet: ik heb deze mens gezocht en deze ontmoeting gewild. Ook als ik terugblik in mijn levensgang bespeur ik gebeurtenissen waarvan ik nu kan zeggen: ik heb ze gewild. Ook al was het toen misschien pijnlijk. Soms, als ik welbewust, uit liefde en met liefde iets maakte voor iemand of een bijdrage ergens aan gaf, dan voelde ik mijzelf echt. Met grote woorden: meehelpen het goede werkelijk te maken. Maar niet los van het schone en het ware. Ik zag en zie veel mensen die het goede doen en willen. Soms zijn het nog hele jongen mensen, kinderen haast nog. Niet altijd voelen zij al de schoonheid of verstaan zij de waarheid, maar doen toch het goede. Hun wil voor het goede zal niet minder worden als zij ook komen tot het voelen van schoonheid en het verstaan van waarheid. Zo wordt schoonheid schoner wanneer zij niet enkel schoon is maar ook waar en goed. Over de wil kan ik niet veel zeggen. Het is zo sterk verbonden met het 'Ik' van de mens. Het is voor mij soms moeilijk om een wezen te verstaan. Nog veel moeilijker is het om de wording van een ander wezen: mee te willen, en mee te dragen. Er hangen nog zoveel sluiers voor 'wat ik wil'. Toch heeft ook het goede een waarmerk. Wie het goede doet er vaart niet alleen vreugde en verstilling, maar vooral ook verbondenheid met de engelwereld die kracht en moed en vertrouwen schenkt en het ideaal aanvuurt. Elke kleingeestigheid en roddel daarentegen heb ik steeds ervaren als een verduistering, als een doven van het wilsvuur.We kunnen soms met de beste bedoelingen ook teveel van het goede doen. Dan houden we geen maat. Want zoals de melodie bij de schoonheid hoort en het ritme bij de waarheid, zo hoort het maat houden bij het goede. Anders branden we ons zelf op, of het vuurtje waait uit.
Melodieus voelen, ritmisch denken en maatvol willen kunnen ons de levensweg wijzen. Tege lijk zijn het gaven die wij mogen ontvangen en schenken. Zoals de drie wijzen uit het oosten deze drie gaven hadden ontvangen en mochten schenken aan het nieuwgeboren geesteskind in onze ziel.
Dit waren enkele van mijn ervaringen met mijn ziel. Hele bijzondere ervaringen werden mij in de herfst van 1995 geschonken toen ik een bezoek bracht aan Ierland. Van deze ervaringen wil ik vertellen in de vorm van een verhaal. Ik hoop dat je het verhaal kunt voelen, kunt verstaan en kunt meedragen. Tijdens de kerstviering van de anthroposofische gemeenschap in Haarlem mocht ik dit verhaal vertellen. Het verhaalt van de herders, de wijzen, de drie gaven en de geboorte van het geesteskind. Dit alles vanzelf: in mijn woorden en in mijn taal. Maar in het verstaan van de taal van een ander wordt er ook in jezelf iets nieuws geboren. De ontmoeting in het verhaal heb ik gewild, dat werd mij tijdens de ontmoeting al direkt duide lijk.
Ierland
Er was eens een jongen die graag naar Ierland wilde gaan. Op een dag zei zijn vader dat de tijd rijp was. Samen zijn ze gegaan, naar Ierland, een week lang, van zaterdag tot zaterdag. De eerste dagen waren ze in de grote stad, in Du blin. En hebben daar gezien en gehoord, het oude en het nieuwe. Dan waren in de omgeving, bij de klooster-ruïnes van Glendalough in de Wicklow Mountains ten zuiden van Dublin. Op donderdagavond zaten zij samen op hun hotelkamer gebogen over een kaart van Ierland. De jongen wilde graag de volgende dag, op vrijdag, de laatste volle dag dat zij nog in Ierland zouden zijn, een lange treinreis gaan maken. Op deze manier zou hij nog veel van het Ierse landschap kunnen zien. Zijn vader stelde voor naar Athlone te gaan in het midden van Ierland aan de rivier de Shannon. Er ging een trein van Dublin naar Galway aan de westkust van Ierland. En halverwege konden zij uitstappen in Athlone. Dat sprak de jongen aan. De volgende ochtend zaten zij al vroeg in de trein die klaar stond op het station aan de Westzijde van Dublin. De trein stond juist op het punt te vertrekken toen daar drie mensen binnenkwamen. Enigszins buiten adem en ook niet zo jong meer. De jongen dacht dat zij vast al wel tachtig jaar waren. Zij namen plaats bij de jongen en zijn vader. Als de trein in beweging kwam nam een van hen, een vrouw, het woord. Die twee mensen daar, zei ze tegen de jongen, en zij wees op de man en de vrouw die tegenover de jongen en zijn vader hadden plaatsgenomen, zijn broer en zus. Twee weken geleden wisten zij nog niet van elkaars bestaan. Voorbije zondag hebben zij elkaar ontmoet op de luchthaven van Dublin. We hebben de stad en haar omgeving verkend en nu zijn we op weg naar huis. Naar een klein dorpje in de buurt van Galway aan de westkust van Ierland. Het was haar opgevallen dat de jongen en zijn vader niet uit Ierland kwamen. Ze vroeg waar zij vandaan kwamen en wat ze al gezien, gehoord en gedaan hadden. De jongen vertelde van hun omzwervingen in de stad en omgeving en ook hoe hij geboeid was door de Ierse taal en cultuur. Maar vooral de taal en de verhalen. Als de vrouw dit hoorde begon zij te vertellen. En zij vertelde en vertelde wel ander half uur lang. De hele treinreis van Dublin naar Athlone. Zij vertelde hoe zij en haar man Gus, die schuin tegenover de jongen zat, en nu, vermoeid van de indrukken van de voorbije dagen, in slaap aan het vallen was, hoe zij en haar man Gus, hun hele leven hadden geijverd voor het behoud en het levend houden van de Ierse taal en cultuur. Ook hoe zij vanaf het ogenblik dat ze elkaar hadden leren kennen, samen op de fiets heel Ierland hadden verkend. Hadden gekeken en vooral geluisterd. Geluisterd naar de verhalen, de liederen en de muziek. Vier koren had de vrouw onder haar hoede. Koren met jonge kinderen en met volwassen mensen die liederen zongen in de Ierse taal. En terwijl zij vertelde was het de jongen alsof hij in deze wijze oude vrouw het hele Ierse volk ont moette. Alsof het hele landschap door haar sprak. En het werd hem licht en warm in hethart. De tijd leek stil te staan. Tot de conduc teur langskwam en zei dat iedereen die in Ath lone wilde uitstappen zich nu naar het voorste gedeelte van de trein moest begeven omdat het perron in Athlone te kort was voor deze lange trein. De jongen en zijn vader name ongaarne afscheid van deze drie bijzondere mensen. De jongen dankte de vrouw hartelijk voor wat zij hem had verteld. De vrouw op haar beurt nam de hand van de jongen in haar hand, drukte deze warm en stevig en zei: een verteller kan enkel vertellen als er iemand is die luistert, en het verhaal wordt geboren t·ssen de mensen. In Athlone zijn ze uitgestapt. Even later liepen ze in Athlone op de brug over de Shannon. Het viel de vader op hoe zwijgzaam de jongen was. Wat gaat er in je om, vroeg hij. De jongen vertelde. Het is zo vreemd zei hij. Alsof ik nu pas begrijp wat ik in Newgrange heb ervaren. Daar kwam het licht vanuit de kosmos naar het hart van de aarde. Bij deze wijze oude vrouw straalde het licht vanuit haar hart naar buiten. In gedachten beleefde hij opnieuw hun bezoek aan Newgrange. Twee dagen eerder, op woensdag waren ze al vroeg uit Dublin vertrokken. Een bus had hen vanuit de stad naar de groene heu vels gebracht en naar het heerlijke dal van de Boyne. En daar waar de Boyne een bocht maakt in het landschap; zuidwaarts buigt en niet veel later fel noordwaarts, daar bevindt zich de grafheuvel van Newgrange. Een vijfduizend jaar oude grafheuvel gestapeld van stenen, van graniet, en nu deels overdekt met aarde en gras. Op ruime afstand van de grafheuvel waren ze uitgestapt. Vanuit de verte had het de jongen geleken alsof hij keek naar de bovenzijde van een enorme afgeplatte schedel. Het voorhoofd daarvan een metershoog oprijzende steile wand van witte kwarts welke schitterde in het licht van de laag staande herfstzon. Ze waren naderbij gekomen en om de grafheuvel heen gelopen. De voet van de grafheuvel was omsloten door een ring van zevenennegentig stenen. De jongen had ze allemaal geteld. Op verscheidene van deze stenen had hij bijzondere tekens gezien. Nu stond de jongen met zijn vader bij de steen die de gang naar de grafkamer afsloot. Spiralen zag hij. Echte zonnespiralen. Dubbel spiralen die buiten begonnen en dan naar binnen bewogen, naar het hart. Zich dan innerlijk omwenden en weer uitademen naar buiten. Ook zag hij rombussen, ruitvormen. Verschillende ruitvormen die haast vloeiend overgingen in de spiralen. Spiraal en ruit in harmonie, innig verbonden in gemeen schap. Ook zag de jongen een verticaal midden op de steen welke zich vanaf de bovenzijde naar beneden bewoog. Waartoe deze verticaal vroeg hij vader. Dat zal ik je nog vertellen antwoorde deze. Gaan we dan nu naar binnen stelde de jongen voor, want hij was nieuwsgierig naar wat hij daar zou zien. Misschien kunnen we eerst buiten nog kijken stelde zijn vader voor. Zie je die grote steen daarginds. De jongen zag de hoogoprijzende verticale steen welke vader aanwees. Eerst nu viel het hem op dat in een grote cirkel om de grafheuvel heen, verscheide ne van de grote stenen waren geplaatst. Samen liepen ze naar de steen die zijn vader had aangewezen. Dit is de menhir van de winterochtend vertelde vader. Op de dag van de winterzonne wende, als de zon in de ochtend haar volle gedaante boven de horizon laat zien, zendt zij haar winterochtendwijsheid naar de aarde en haar licht straalt op deze steen. De schaduw van deze menhir valt op de sluitsteen voor de in gang, en de rechterzijde van de schaduw valt precies samen met de verticaal die je mij zojuist hebt aangewezen. Dat is zeker niet toevallig meende de jongen. Niets aan deze grafheuvel is toevallig zei zijn vader. De mensen onder wiens leiding deze grafheuvel is gebouwd wisten wat zij deden en waartoe. Zullen we dan nu naar binnengaan vroeg de jongen voor de tweede maal? Ik wil je zo graag eerst nog iets laten zien zei vader. Hij wees naar de vierde menhir op de baan van de zon. De jongen huppelde heen. Zoals vaak was zijn beweging geïnspireerd door wat hij had gezien. In steeds kleinere kringen danste hij om de tweede menhir. Totdat hij met zijn hand de koele steen kon aanraken. Eenmaal ging hij rond terwijl zijn hand langs de steen streek. Dan wende hij zich om en wikkelde weer uit. Zo gebeurde ook bij de derde en de vierde menhir. Vader stond intussen geduldig op hem te wachten. Hij was in rechte lijn gelopen. Dit is de menhir van de winteravond zei hij. Op de dag van de winterzonnewende als de zon ondergaat en nog juist haar volle gedaante boven de horizon toont, schenkt zij haar winteravond wijsheid en groet met haar licht de menhir van de winteravond. De schaduw van de menhir valt op die steen ginds. En hij wees naar een steenuit de ring om de heuvel. Dat is de dertiende steen uit de ring zei de jongen trots. Want hij had een goed geheugen voor getallen. Zullen we nu naar binnen gaan vroeg hij voor de derde maal. Nu met sterke aandrang. Nu gaan we naar binnen zei vader. Maar misschien wil je mij toch nog vertellem wat je tot nu toe hebt gezien. De jongen was niet verrast door deze vraag. Vader liet hem altijd vrij in zijn onbevangenheid maar had hem geleerd hoe goed het was om later te overdenken wat je had gezien. De eerste steen zei de jongen, de sluitsteen voor de in gang. De steen welke met zijn gelaat is gewend naar daar waar op de dag van de winterzonne wende de zon opgaat. Die steen. De steen van de winterochtend met dubbelspiralen die zich van buiten af inwikkelen naar het hart, omkeren, en dan weer uitademen. En ruiten in samenzang met de spiralen. De tweede steen zei de jongen, is de steen recht tegenover de eerste steen, geheel aan de andere zijde van de heuvel. De twweenvijftigste steen uit de ring. Want hij had een goed geheugen voor getallen. De steen van waar je blikt naar daar waar op de dag van de zomerzonnewende de zon onder gaat. De steen welke vanouds met zijn gelaat was gewend naar het hart van de heuvel. Die steen. En daarop aan de rechterzijde tekens welke het geheim van de drievuldigheid openbaren. In het midden een verikaal over de volle hoogte van de steen. En op de linkerzijde dubbelspiralen en ruitvormen zoals op de eerste steen. Maar nu: spiralen boven, ruitvormen onder; streng gescheiden van elkaar. Even zocht hij de ogen van zijn vader. Maar deze knikte instemmend. De derde steen zei de jongen, is de steen die van hieruit gezien, gezien vanaf de menhir van de winteravond, is gelegen, geheel aan de andere zijde van de heuvel. De zevenenzestigste steen uit de ring. Want hij had een goed geheugen voor getallen. De steen welke met zijn gelaat is gewend naar daar waar op de dag van de zomerzonnewende de zon opgaat. Die steen. En op de steen geen dubbelspiralen maar enkelvoudige spiralen on derling verbonden. Een spiraal die begint in het hart, in de kiem van de winter, zich uitwikkelt door de lente naar de hoogte van de zomer. En dan in de glijvlucht van de adelaar overgaat in een tweede spiraal welke naar binnen toe zich inwikkelt, afneemt en sterft door de herfst heen naar een nieuwe winter. En daar waar de bewe ging van het toenemen is verbonden met de beweging van het afnemen, daarboven een rombus welke vanuit de kiem zich opent en vanuit het geopend zijn zich weer concentreert in het zaad en sluit. En daaronder nog zo een rombus welke een tweede, kleinere rombus in zich draagt. Dat is de derde steen. De vierde steen zei de jongen, is de steen waar we hier vandaan opblikken. De dertiende steen uit de ring. Want hij had een goed geheugen voor getallen. De steen welke met zijn gelaat is ge wend naar daar waar op de dag van de winter zonnewende in de avond de zon onder gaat. Die steen. En op die steen concentrische cirkels welke vanuit het hart uitstralen tot aan de gren zen van de kosmos en dan wat daar ontvangen mocht worden weer concentreren tot in het hart.En boorgaten waaraan de mensen hun winter avondvuren ontstaken. Nu gaan we naar binnen zei vader. Bij de ingang ziet de jongen hoe er daarboven nog een tweede opening is. De poort van het licht zegt vader. Maar toe, laten we naar binnen gaan. Dan liepen ze samen de negentien meter lange gang in welke leidde naar de grafkamer, naar het hart van de heuvel. Links, rechts en boven hen grote stenen welke de gang vormen. Op enkele stenen tekens zoals buiten. De gang voert omhoog en vader vertelt dat wanneer ze dra in het hart van de heuvel zijn, de bodem daarvan op precies gelijke hoog te is met de opening boven de ingang. Dan komen ze in de grafkamer. De jongen ziet een nis aan de hoofdzijde, een nis aan zijn linkerzij de en een nis aan zijn rechterzijde. In de nis aan de hoofdzijde een grote steen, de bovenzijde daarvan uitgehold tot een prachtige schaal. De schaal is groot. De jongen meende: hij zou er zelf in plaats kunnen nemen. Vader vertelt dat de mensen die deze grafheuvel bouwden, hier de as van hun doden in bewaarden. Ook in de nis aan zijn linkerzijde een grote steen. En ook daarvan de bovenzijde uitgehold tot een schaal. Zo ook in de nis aan de rechterzijde. Maar daar, in de grote schaal geplaatst, een tweede kleinere schaal. Als de jongen schuin omhoog blikt ziet hij hoe er op de stenen welke de bovenzijde van de drie nissen vormen, tekens zijn aangebracht. Spiralen, ruitvormen en nog andere tekens. Dan blikt hij recht omhoog naar het gewelf boven hem dat in het midden zes meter hoog is. Het gewelf is gevormd uit ringen van steen. Op eengrotere ring steeds een kleinere, kleinere, kleinere, tot tenslotte één steen de ruimte voltooit. Als de jongen naar boven ziet voelt hij zich meegenomen door een machtige draaiende beweging welke hem tegelijkertijd doet toenemen en afnemen. Maar dan voelt hij de hand van vader op zijn schouder. Ga maar in het hart van de ruimte staan, zegt deze, en wendt je gelaat naar de ingang. Dan zal ik je vertellen wat hier op de dag van de winterzonnewende geschiedde. Het is 11 dagen voor de winterzonnewende. Nu voor het eerst betreedt het licht door de opening boven de ingang het hart van de heuvel. Aarze lend, tastend nog. Maar elke volgende dag een korte wijle langer en dieper. Dan is de dag van de winterzonnewende daar. De mensen hebben gewaakt in de nacht. Het wordt ochtend. Het eerste licht gloort. Het licht straalt naar de aarde en betreedt de gang welke voert naar het hart van de heuvel. De mensen zien hoe aan de ene zijde van de gang het licht voortschrijdt en steen na steen verwarmt en verlicht. En hoe de tekens oplichten. Dan betreedt het licht het hart van de heuvel. Het schrijdt voort over de bodem, om speelt de mensen en raakt aan de schaal achter hen. Dan wordt het licht duizendvoudig weer kaatst in de ruimte. Het licht danst en zingt omhoog en omlaag en de ganse ruimte is ver vuld van een gouden gloed welke de aarde en de harten van de mensen verlicht en verwarmt. En in dit licht, dat vol winterwijsheid en geboorte kracht is, schouwen de mensen hoe dit licht zich eens blijvend met de aarde en met de harten van de mensen zal verbinden. Maar dan neemt degloed al weer af. Het licht vangt aan zich terug te trekken. En de mensen zien hoe het aan de andere zijde van de gang het licht langzaam terugtreedt en ook daar steen na steen verlicht en verwarmt en de tekens doet oplichten. Nog tot elf dagen na de winterzonnewende betreedt het licht elke dag een korte wijle het hart van de heuvel. Maar steeds korter, en steeds minder diep. Aan dit alles dacht de jongen toen hij samen met zijn vader in Athlone op de brug over de Shannon liep. De volgende dag, op zaterdag, zijn ze teruggegaan naar het land vanwaar zij kwamen. De jongen heeft de ervaringen en ontmoetingen van dit Ierland als kost bare geschenken in zijn hart mee naar huis genomen. Dit was het verhaal van de jongen die naar Ierland ging.
Jan Verhoeven, Overveen, Driekoningen 1996