Meizang
door Jan Verhoeven, mei 1996

2366.
De laatste zangen
in een lucht vol vragen
klinken in de ongekende tijd
voorbij de ruimte
die niet denkbaar is
tot de mens
die in zich zelf is
ongeboren nog
van de ongekende tijd
in verwachting
zijnde.

2367.
De eeuwige wolken
bewegen niet
als op de vleugels
van het ongekende
het weten rust
in niet vermoeden
met een zwijgen
spreekt de taal
in de mens
het denken
van zichzelf.

2368.
Weten van niet-weten
in rivieren stroomt het water
naar de bron
die uit de stromen is
van al het begin
in tijd en ruimte
die zijnde niet bestaan
dan in mijn gedachten
kabbelt knagend zoeken
waar is dat waar
en goed als leegte
vervuld van verte
te nabij om ver te zijn
is één,
in water.

2369.
Dromen groter
dan het water
zweven tussen sterren
in de kleine kinderhand
glanst een steen
die werd gevonden
waar nog plaats is
voor de dingen
verder
dan de speer
die nog ongeworpen is.