De volgende twaalf gedichten ontstonden in de kersttijd.
Zoals Jozef en Maria een plek zochten om te overnachten, zo zoekt ook elk mens een beschutte plek waar de geboorte kan plaatsvinden. Jozef is de timmerman, hij kijkt om zich heen en is een maker. Maria luistert naar haar ziel en is draagster. In mijn leven en daarmee ook in mijn gedichten tracht ik beide houdingen te verenigen. Net als Jozef en Maria klop ik vaak vergeefs bij een herberg aan. Maar steeds is er ook ergens wel een stal waar ik mag overnachten. En eenmaal in die stal, had ik niet anders gewild.
Jan Verhoeven, Kerstmis 1994.
1.
Het hoge licht
dat in de ochtend
op de aarde ligt
kondigt elke tak
en elk blad
dat in de wintertijd
nog wachtte
op bericht:
het komen.
2.
Geesteslanden
maak mijn handen
mijn jonge schaal
in
zielebanden.
3.
De eerste nacht
dan komt
de ochtend
komt dan
met haar stralen
waken
over witgerijpte daken
die rijzen
en dalen
het kind onthalen
in de steden
de eerste nacht.
4.
Droom verloren
zwerf nabij
het droge zand
een ezeltje
ademt
draagt een vuur
van blauw verlangen
naar Egypteland
jouw zangen.
5.
van de hoge nacht
stroomt over
de mens
en wacht die nacht
op een gebaar
geschonken kracht
de slaap ontheven
groent tover
uit de aarde
de aarde
van die nacht.
6.
Ontloken roos
van broze tederheid
ontvouw
altoos
wordt uitgebreid
in geuren
in liefde
ingewijd.
7.
Een ster
alleen gelaten
zoeker
in de zwarte nacht
het blaten
het balken
het loeien
om het kind
de gave
van mensgeworden
pracht
in elk woord
een klankstralende
ster.
8.
Herders
hoor
het licht vernomen
nu stil
mijn gnomenspiegelbeeld
wordt wakker
grotten en spelonken
geopend geborgen
omhullende dragen
kom vragen
de akker
het tweede gezicht
en groet
groet uw kind
het kribbelicht.
9.
Zie in de kleur
jouw wordende wezen
van bloesem
de geur
dat groen
wil genezen
en drink
in jouw adem
mijn stem
nu welsprekend
haar woorden
hij tekent
akkoorden
hij
in jou
10.
Stil mijn ogen
vuur
van mijn handen
de lange tocht
en wij ontwaken
naar vermogen
in uw ogen
om de knoppen
aan de takken
lichtgebogen
winterbos.
11.
Klokken luiden
ingeboren
zeg mij toren
hoge wachter
in de nacht
zo lang tevoren
toegebracht
waar kan ik
mag ik horen
horend duiden
wat klokken
klokken luiden.
12.
In de polder
brak het ijs
een wak
toen vliegend
door de hemel brak
een zwaan
een vuur ontstak
dat was gedoofd
in elke tak
maar vonkt nu
vlammend warmt nu
alle dagen.
Elk woord is mij een wezen.
Voor mij is dichten: ontmoeting met de woordwezens. Zij verlangen ernaar om in het spreken van de mens geopenbaard te worden. Zoals juist in de ontmoeting met verschillende mensen wij eerst volledig ons zelf kunnen openbaren, zo ook ontvouwen de woorden zich aan elkaar. Dichten wordt dan ruimte schenken in de ziel waar woorden elkaar kunnen ontmoeten. Zoals ik meerdere vrienden kan uitnodigen en dan mag beleven hoe zij elkaar onthullen, zo ver wonder ik mij ook vaak over hetgeen de woorden elkaar te zeggen hebben, zoals bijvoorbeeld in "nacht mijn stem".
Bomen, bloemen, kleuren, gebaren, ervaringen, zij allen willen het woord ontmoeten. Mijn inspanning bestaat uit het luisteren. In het luisteren naar een boom, een gebaar of een stemming ontstaat er een stille ruimte waar ik de woorden als gasten mag begroeten.
Mijn gedichten willen, in hun samenspel van klank, ritme en bete kenis, allereerst beleefd worden door de ziel, zo zijn ze ook ontstaan, en pas dan vanuit de stemming begrepen worden.
Ik dwing de woorden niet en zij dwingen mij niet. In deze vrije en liefdevolle ontmoeting is elk gedicht een feest voor de woordwezens en de ziel.
Het lezen en zeggen van een gedicht van een ander mens is voor mij: het mogen deelnemen aan een ontmoeting van wezens.
Een dichter verdicht de woorden, dat wil zeggen hij brengt ze bijeen, nader tot elkaar en nader tot de mens. Een dichter dicht de afstand tussen de woorden en heet daarom ook heel toepasselijk: DICHTER.