Vincent van Gogh:

Christus heeft ons als belangrijkste zekerheid
de bevestiging gegeven van het eeuwige leven,
de oneindigheid van de tijd,
de nietigheid van de dood,
de noodzaak en de zin
van sereniteit en toewijding.
Hij heeft op een serene manier geleefd,
als een kunstenaar
groter dan alle andere kunstenaars,
marmer,
klei
en verf versmadend,
omdat hij
in het levende vlees zelf werkte.
Deze ongehoorde,
voor het botte instrument
van onze moderne,
nerveuze
en afgestompte hersenen
bijna onvoorstelbare kunstenaar,
maakte geen beelden,
noch schilderijen of boeken:
hij verkondigt het duidelijk,
hij maakte....
levende mensen,
onsterfelijken.

Lazarus Joh. 12:1 en 2 (Nel Benschop)
Het leven ging weer z'n gewone gang.
Hij had vier dagen in het graf gelegen
maar wist niets van die tijd. Gods wegen
zijn wonderlijk; ze maakten hem soms bang.

Nu zat hij aan tafel met zijn Vriend.
Had hij Hem, met het leven, weergekregen?
Of ging de Meester eigen, donk're wegen,
waren zij blind en Hij alleen, ver-ziend?

Maria goot een kruik vol liefde op Zijn hoofd
en Martha diende Hem met al haar zorgen;
hij, Lazarus, wist niets van gist'ren noch van morgen,

hij wist alleen: ik lóóf, God zij geloofd -
maar het was ánders - en diep weggeborgen
knaagde vervreemding aan zijn hart en hoofd.

Die Auferweckung des Lazarus Paul Bühler
Ferne dem Tag,
fern den erstorbenen Raümen,
die nicht begreifen das Licht,
hebt sich der Geist
in die Sphären.

Nicht des Vogels Lied,
nicht der Geschwister Ruf,
nicht des Volkes wirrende Stimme
trifft des Entfremdeten Ohr,
dessen Leib
erstarrt im Grabe der Weihen.

Tastend in dem Gebirge der Nacht
schwingt die Seele
in die Äonen,
schauend der Götter
heilige Mühen,
zu schaffen
Dasein, Leben und Licht...

O ruhn in der Sonne
Weltengedanken!

Aber es webt in sein Herz
wie bildend das Rund einer Rose,
erglühend wie eine Träne,
das Wort:
Ich liebe.

Und der es sprach
in die entrückte Seele,
weilet am Grabe des Jünglings.

Und der es vernommen in fernen,
haucht über die Lippen: Ich liebe.
Es hebt ihn das Wort aus der gruft,
es trägt ihn durch die Elemente,
es vermählt ihn der Menschheit.

Denn der Gottheit Geist
ist erwacht
in der Erde Finsternis
als die Liebe.
Und den Er lieb hat,
folget Ihm nach.

Ed. Hoornik
Ik ben de kleine dochter van Jaïrus,
Ik lig hier op een veel te grote baar.
De dood zit in mijn ogen en mijn haar,
Dat, nu de krul er uit is, zonder zwier is.

Ik mis mijn pop, die nu zij niet meer hier is,
slaapt als ik slaap, de vingers in elkaar.
Ik weet, dat twee en twee tezamen vier is,
maar nu ik dood ben, is dat niet meer waar.

Waarom had ik daarstraks ook weer verdriet?
Er zou een man, die toveren kon, komen,
mij beter maken, maar toen kwam hij niet.

de mensen op het dak en in de bomen
gingen naar huis,
maar ik blijf van hem dromen.
Morgen ben ik de eerste die hem ziet.

Het dochtertje van Jaïrus Ida Gerhardt
Zij zagen haar verwonderd aan,
het meisje dat was opgestaan.

Alsof zij slechts geslapen had.
Hij hield haar bij de hand gevat.

Het rouwmisbaar, het klaaggeluid,
de stoornis is het huis al uit.

Stil nu: hij stelt als simpele wet
dat haar wat brood wordt voorgezet.

-Dat wat een wonder is van taal
ik las als kind het honderdmaal

en wist: "en 's avonds was er feest,
er zijn vriendinnetjes geweest."
 
Daar waar de dood zich had verschanst
werd bij de zilveren fluit gedanst.

Jongeling te Naïn Jan Verhoeven
Toen uit de stad gedragen werd,
De jongeling te Naïn -,
Beweenden vele zonen,
Hun broeder die de crisis zocht,
Om Saïs te verschonen.
Tot daar het woord van leven klonk,
Waardoor hij van de bron weer dronk,
En in de stroom is opgestaan,
Die liefdevol aan Isis schonk.

Moeder te Naïn Jan Verhoeven
Mijn sluier,
die jij optilt,
die jij optilt,
is mijn Naam.
Ik was nog in de sterren,
en jij te ver gegaan.
Gekomen ben ik nader,
ben ik nader tot de wond,
nu jij mijn zoon
de aarde,
mijn licht met jou verbond.

Ontwaken aan de grondsteen Jan Verhoeven
Ik,
die Mij verslapen had,
werd wakker bij het vuur,
een licht,
dat haast gedoofd was,
mij restte nog een uur,
een uur waarop het licht was,
werd water wekkend leven,
en aarde aardedonker,
tot diep in steen gedreven.
heeft Mij in mij gegeven.

Er lebt Novalis
Ich sag es jedem, dass er lebt
und auferstanden ist,
dass er in unserer mitte schwebt
und ewig bei uns ist.

Ich sag es jedem, jeder sagt
es seinen Freunden gleich,
dass bald an allen Orten tagt
das neue Himmelreich.

Er lebt und wird nun bei uns sein,
wenn alles uns verlässt!
Und so soll dieser Tag uns sein
ein Weltverjüngungsfest.



Jaarfeestengroep Haarlem - Pasen 1995