Tijdens mijn vakantie die ik in de zomer van 1995 in de Belgische provincie Oost-Vlaanderen doorbracht noteerde ik in vrije vorm allerlei impressies.
1.
Een bos van hoge eikebomen
heeft het zonnelicht omlaag gebracht
naar mossen die op wortels dromen
van de mens die op het bospad wacht
tot zomeravondelfen komen
om alle vogels voor te zingen,
de geheimen van de sterrennacht.
2.
Een kasteel verhaalt uit oude tijd,
temidden van een verfraaide tuin,
van ridders en hun edele strijd,
vol heldenmoed en klare namen,
hoe een de lans ter hemel hief
bij het klinken van de jachtbazuin
waarvan de stilte nu de tijd verbreidt.
3.
De letters op het blad geschreven
fixeren stromende gedachten.
Het woord wordt in het schrift gedreven
dat elke lezer doet verwachten
als in het bos de eikels vallen
op de zachte grond van vorig leven
waar uit beeld en schrift het woord ontstaat.
4.
De namen die worden genoemd
als de regen valt
staan gedruppeld in het zand
dat onder de bomen was verzameld.
Een vogel dronk van het geluk
uit mijn tot kom gevormde hand
en zong de mare van het eikenbos
naar waar het licht zich samenbalt.
5.
Als het blauw nu eens de grond was,
en de grond een andere hemel,
dan viel de regen steeds naar boven
op de mens geworden wegen;
zochten wij in blauw de oergrond.
6.
Een kerkje in de polder.
Een vinger in de zomerlucht.
Het licht danst loom
van gras naar gras.
De ruimte is donker.
De ruimte is koel.
Dan komen de kleuren.
Het licht wordt gevoel.
Weer buiten: de geuren,
het licht van de Weegschaal.
Het hart wordt gewogen.
7.
Op weg naar stad en stad
glijden dorpen vlug voorbij.
Vermelding op het blauwe bord
met naam en kilometer
passeren zij aan mij
die hun hart nog niet gelezen had:
rechtsaf naar Waterschei.
8.
Hier staan nog hoge palen
met lange draden langs de weg.
Daarachter witte koeien
en een verlaten overweg
waar tweemaal daags
een boemel heen en terug
de oogst komt halen.
9.
Er is geen huis hetzelfde hier
en er wordt overal gebouwd.
De wegen liggen open
en de reiziger vertrouwt
dat hij, hoe wijds ook omgeleid,
op het doel mag blijven hopen
dat hij in de ochtend had geschouwd.
10.
Er klinkt een avondklok
in een dorp in een land
dat de naam heeft van frituur
doch in haar maagd gebleven hand
nog weet heeft van het juiste uur
en in haar taal nog iets laat zingen
van het zomers hemelvuur.
11.
Maria met kind achter glas in een muur
van een huis langs een snelweg
honderd kilometer het uur
zo lijkt vanuit de wagen
de wereld te bewegen
met beide handen aan het stuur
en rechts van jou de wachter.
Pas op daar is een drempel!
De weg is opgehoogd
voor wie daar al te snel
Maria wil passeren.
12.
Wij hadden onze tent opgezet
tegenover de grote watervergaarbekkens
nabij het kleine dorp Kluizen
waar wij elke dag ons brood bekwamen
een half uur gaans of daaromtrent.
Vers brood verlangt een vlotte tred.
13.
Als de hemel zich spiegelt
in het water tussen het gras
en vogels en druppels
verwondering zijn,
verandert de lucht in
een tijdeloos teken.
Twee takken beroeren
het rijpend gewas.
14.
Langs het oude stationnetje
wacht één enkel spoor.
De bordjes zijn verweerd,
het loket voorgoed gesloten.
Tien over het uur
dan komt de diesel voor
en mag je naar Gent gaan
met de trein.
Tien over het uur;
ja, dat moet voldoende zijn.
15.
In een der zalen van het Gravensteen
de oude burcht der Vlaamse graven
hoorde ik de klank van een grote harp
de ruimte vullen naar het scheen
met tijd die uit de oude steen
tevoorschijn kwam om zich te laven
aan het wonder dat in haar trad.
16.
Op de brug van Sint Michiel
ziet gij de torens naar de hemel reiken.
Drie stenen vingers in de oude stad
aan de hand van de Leie
in aanbidding voor het Lam Gods
temidden van de Gentse feesten
met kramen in elke steeg
zover uw oog kan kijken.
17.
Dit bos is ooit moeras geweest,
zo zeggen de oude boeren.
En nu na zware regenval,
herneemt de grond haar oude geest,
bladeren voegen zich tot wal.
Wat gevreesd is dat geneest
in elke ruimte tot getal
waarheen de wegen voeren.
18.
Blinkende stalen ballen
vallen met een plof in het zand
en de egel rolt zich op
in de bundel van mijn lantaarn.
Een jonge uil huilt als een kind
dat te lang niet heeft gedronken
wanneer het konijn mijn bospad kruist.
De wind ritselt de populieren
elk blad heeft wat te vieren
en trilt en danst alweer voor allen
die het spel van de avond scheiden.
19.
Door mijn knieën gezakt
zie ik vanonder de laaghangende
takken van middeloude beuken
in het weiland van de avond
over de sloot en achter draad
bleke koeien kuieren naar
een bestemming die ik niet ken.
Ik sta op en begrijp waarom
als de hemel zich spiegelt in de sloot
en de claxon van een auto
de ruimte versmaadt.
20.
De ochtend is als een reiziger
net aangekomen uit het waterland,
waar vroege vogels in de bomen
verhalen van de zonnestand.
Fluiten, zingen, kwetteren,
wordt de rugzak uitgepakt
waarin de nacht zich had gegeven.
21.
Er worden weinig brieven nog geschreven
zo merk ik elk jaar
als mij voor de tent een envelop
wordt aangereikt
als was het een kostbare zeldzaamheid.
Schatten zijn deze bevroren gedachten
in de lezer weer fris opgewekt.
Van ver zendt een vriendin haar groet,
een nieuwe wending in haar leven
die mij langs spoor en weg bereikt.
De letter is niet dood
als zij vrijmoedig wordt geschreven
en in des lezers hart
tot beelden wordt geweven.
22.
Ik merk het bij het denken
bij het spreken van de taal:
hier willen woorden anders
naar de engel van de ruimte
vanuit beweging wijsheid schenken
in vormen die zichzelf bestaan.
Vis, die in de heldere beek zich keert.
23.
Het is hier over de grens
dat je anders moet spreken
om een mens te ontmoeten
anders moet kijken
om het land te begroeten.
Het is hier dat ik meeneem
het diepste vermogen
van vorm te veranderen
en wijd te meanderen
in het land waar je doorstroomt
naar gloedvolle ogen
die licht uit de verte
het water doen wijken.
24.
Vierentwintig, stond in het Boek,
was het getal der oudsten.
Vierentwintig uren telt de dag;
één drager voor elk uur,
dat mag,
dat kan ik goed begrijpen.
25.
Het is in de avond
dat aan de hemel ballonnen verschijnen
en zich traag aan de wind bewegen
een korte vlam waarin zij stijgen
juist alsof ze naar de hemel gaan
gewicht dat hen omlaag doet neigen
voorkomt dat zij in blinde waan
voorbij de blauwe grens verdwijnen
26.
Hier in het vlakke Vlaamse land
verschijnt elk gevoel van mededogen
wanneer de rustige kracht van deze eiken
mij doet zien hoe elke hand
die mij raakte en deed wankelen
vanuit de licht geworden nacht
langzaam groeit tot een verbond
dat mijn leven zal verrijken
27.
Avondrood tekent vormen in de lucht.
Boven mij tekent de kruin een prent.
Een koe beloeit de stilte.
Van vier zijden laten klokken weten:
tien uur in de avond
is het teken dat ik zend.
28.
Langs de rand van het bos
gaan mijn voeten voort
terwijl ik stap voor stap
de drempel van de geestelijke wereld overdenk,
langzaam gaat het beeld bewegen,
de vlakke akker wordt een berg
mijn pad een kronkelweg
die in de nacht naar boven leidt
In elke bocht zijn vergezichten
op het dal beneden mij.
Ik herken nu de patronen,
laat langzaam de illusie los.
De avond is vroeg vandaag
Zij wijst de weg tot schenken.
29.
Als in het bad de kinderen spelen
en spetters water om je oren slaan
Als de ijsjesman geweest is,
en de zon het hoogst gaat staan.
Dan breekt het licht in wijze stralen
om de randen van het blad
dat neerziet op het kind
dat aan haar takken schommelt.
30.
Ik was dit jaar kamperen
en achter mij
werd heen en weer gesproken
als een schommel
waarop een kind de benen strekt
de rug kromt
en zo beweging wekt
een spel dat gans de tijd verdrijft.
31.
Onze zoon van vijf
was van Robin Hood vertelt,
nu draagt hij gans de dag een boog,
en weet zich vogelvrij,
in dit zelfgezocht bedrijf,
waar hij de regels heeft gesteld
wijl ik de afwas droog.
32.
Het licht breidt zich uit
over de wateren
keert om in zichzelf
en spiegelt een wijle
tot de vissen naar boven komen
en het blad op hun ruggen dragen
een witte bloem opent zich
in de dans van een late elf.
33.
Hangend over de rand van een beekje
tuurt de visser in het water
naar de zilveren schaal daar diep benee
deze voor zijn netten ongrijpbare
danst in de golven van de nacht
aan de oever drinkt een ree
de eerste sterren van de nacht.
34.
Ra heeft grote kracht vandaag
en allen werpen zich ter aarde
Gedachten stromen nog heel traag,
In deze verte wuiven palmen
Naar de koeltoren van de energiecentrale
Het land viert feest vandaag
omdat het 165 jaar geleden loskwam
Het zijn de wolken die nu talmen
omdat het gras nog vol van dauw is,
en de lucifers in een emmer zijn gevallen
waar drank verkoeling zocht.
35.
Op de fiets naar Sleidinge
om brood te halen
met mijn zoon achterop
we zingen een lied
dat hij heeft geleerd
het lied is lang en de weg is kort
we stoppen even bij een bord
nieuw asfalt is nog zwart.
36.
Wie uit het dal het bos betreedt
laat zich door de dieren leiden
tot hij de goede weg weer weet
naar de hooggelegen weiden
waar fonkelende sterrenpracht
en zicht op kleine dorpen,
de donkere nacht laat spreken
met de stil geworden ziel
over de toppen van de bergen
en een laatste steile klim
tegen ijs en scherpe rotsen
naar de tempel bovenop
waar de eeuwige vuren branden
en de ziel al werd verwacht
met wat zij van de aarde
als offerspijs heeft meegebracht
uit liefde voor de oude Vader
en zijn mensgeworden Zoon.
Van de lange tocht bekomen
tot in de botten opgewarmd
ontstaat verlangen naar de dalen
en de dorpen van de mensen
waar de ochtend zonder dralen
zich tot ruimtekracht verbreedt.
37.
In de donkere nacht der zinnen
ben ik alleen op weg gegaan
langs de rijk begroeide velden
door het donkere dierenbos
over de hooggelegen weiden
tegen de immer steile rotsen
naar de kristallijne vuren
waar de wilskracht wordt gesmeed.
38.
In Sleidinge bij de kerk
heel dicht bij de vrijdagmarkt
is een houten kruis geplaatst
met daaraan een man genageld
die neerziet op twee mensen
wier ogen licht weerkaatst
naar de bedrijvige passanten
met hun nerveuze aardse wensen
en hulp vraagt bij zijn werk.
39.
Het is de kracht van het woord
om het gewone te beschrijven
en te verheffen tot de geest;
om wat in de ruimte is gescheiden
vol met leven te verbinden
en de stroom der tijden
tot een tempel om te vormen
die lichtend in de ruimte staat.
40.
Er zat onweer in de lucht vandaag
toen Lucie en Arie van de laatste wacht
over de wegen huiswaarts keerden
in hun fonkelnieuwe wagen
met onder de rode motorkap
de kracht van honderdvijftig paarden
die het gnomenvolk zozeer bezeerde
dat overal de bossen sterven
en heel het land een parking wordt
met rode wagens op zwart asfalt.
41.
Verwijlen langs de bosrand
waar akkers in de warmte trillen
een stille beek traag verderstroomt
wijl in de struiken vlinders spelen
die steeds weer naar het zonlicht willen
dat in het bos nog heel beschroomd
de elfen naar de bloemen droomt.
42.
Soms val ik over een zin als deze:
"Liefde, die haar oorzaak vindt in de eigenschappen
van het geliefde wezen, die in het zintuiglijk leven
aan de dag treden, blijft verre van de luciferische inslag".
En als ik erover nadenk en opsta, val ik er weer over.
43.
Hoog kruint de eik
boven de zandbak van de kinderen
als wachter voor het bos
dat deze zomer wil verhinderen
de uittocht naar het elfenrijk.
44.
De vlinder schrijft in dansend licht:
"Het is een dwaas die meent dat hij de ander kent;
nog groter dwaas die meent dat nooit te zullen leren".
Dan poetst een wolk het uit.
45.
Mijn zoon ging kroonkurken vragen.
Bij de bar werd een hele doos "blekskes" voor hem uitgestort.
"Dan kan hij thuis laten zien
wat zijne pa allemaal gedronken heeft",
meent een van de gasten.
Ik heb nooit geweten dat er zoveel waters waren.
De nymfen zijn onrustig vandaag.
Het water van de beek is vervuild.
46.
We passeerden een schoonheidssalon
die ISIS heette.
Met de mogelijkheid van snel bruin te worden.
Buiten het dorp staat boven het veld een leeuwerik.
De ruimte van zijn zang is vol leven
dat de aren doet rijpen
en het land geurt naar de volle zomer.
47.
In de schaduw van een boom
geeft een jonge vrouw haar kind de borst.
Opa en oma kijken toe.
Een ouder broertje, peuter nog,
zoekt naar iets lekkers in de hoge tas.
Ongekleed en zonder schaamte
verblijven zij daar op het gras.
Waar de ruimte buigt tot koepel
bloeit de tijd in het geweten
dat met groot gemak
de dromen torst
waarvan wij onbevangen eten.
48.
Wolken als witte vegen
op het blauwe doek gestreken
passeren aan mijn oog.
De avondschilder;
en elke dag een nieuw doek
vol veranderende vormen
door vogels bezongen.
49.
Jarig in de zomer,
de tent al vroeg versierd,
liedjes in de slaapzak,
negen is een mooi getal,
je hebt ze allemaal ontmoet,
de hele schare engelkoren,
brengt de jarige een groet,
tot in de kern van haar ziel,
de mensenwonde openbloedt.
50.
Mijn zoon schatert van plezier
wanneer hij met grote snelheid
door het water wordt getrokken.
Het zonlicht weerkaatst
in de opspattende druppels
die zich weldra weer
met het water verenen.
51.
Waar het leven in de ruimte treedt
welt er water uit de bronnen
een oude Pipercub vliegt over
het eerste konijn meldt zich
op de grens van bos en weide.
Waar het lot wordt klaargesmeed
groeit er klaver in het gras
waarover stap voor stap
een kind de eerste schreden zet
waar het leven in de ruimte treedt.
52.
Een oude man uit Kluizen,
zogezegd een Kluizenaar,
sprak van de oude sluizen
met een jonge molenaar
die wieken voelde suizen
langs zijn wit geworden haar,
tot door de lucht de pluizen
met een vederlicht gebaar
hun beider aandacht deed verhuizen
naar de oosterse bazaar.
53.
Akkers vol met goudblond vlas
wijs en stil is Krekenland
de dorpjes zijn nog bij zichzelf
gebleven rond een grote kerk
met beelden van voorbije tijd
zo dicht benaderd door de grens
van hun oorspronkelijk verband.
54.
Er stond een schip naast de kerk
dat ooit de binnenwateren bevoer
dat nu klaar is met zijn werk
en in het kortgeknipte gras
op klauterende kinderen ligt te wachten
die juichend en met veel bravour
de oude tijd tot leven brachten.
55.
Veertien staties in een kerk,
verbeelding van de lijdensweg.
Mijn zoon van vijf wil weten
wat die man toch heeft gedaan
dat hij niet langer meer mag leven.
Waarom die spijkers in zijn hand,
dat doet toch zeker heel veel pijn
als het kruis wordt opgeheven.
"Als we terug zijn bij de tent
wil ik Christus aan het kruis gaan tekenen,
zou je denken dat dat helpt pap?"
Natuurlijk helpt dat Steyn.
Alle goede aandacht helpt.
En we staken nog een kaarsje op
aan 10 franc het stuk.
56.
Zo wisselend als het landschap
zijn soms de stemmingen van de ziel
wanneer de stad op haar schouders klimt
en van een uitzicht wil genieten
dat in de bocht van de rivier
was uitgespaard voor de verre reiziger
op zijn pelgrimstocht.
57.
Een oud station aan de rand van de stad,
door liefhebbers tot leven gewekt
droomt van de voorbije tijd
waar stoom nog nieuw was
en mannen in zwarte uniformen
hun koninkrijk bestuurden:
tweemaal daags over het smalspoor
van Maldegem naar Eeklo
en terug.
58.
Laag vliegen de jagers over
het sluimerende stille land
een haas, verstijfd met lange oren
voelt de wilde woeste brand
waaruit de leegte is geboren
uit de hemelsferen spreken
met een daverende knal.
Het is slechts povere tover.
Dan rijdt een boer gier uit over zijn akker.
59.
De dag dat de regen kwam
en de kinderen in de tent verbleven
groeide ruimte rond de stam
waar het spel was opgeheven.
Het tiktikte op het tentdoek
dat voor omhulling was gemaakt.
De kruin in de hoogte heeft gezien,
het water van wolken ontvangen
aangeraakt en doorgegeven.
"Wie heeft de gum?", wordt er gevraagd.
60.
Markt op het plein in een dorp
dat deze nacht geslapen had.
Er is zo vroeg al heel veel volk
gekomen op het koperspad,
te kijken naar de mooie waar
en vooral ook naar elkaar.
De lucht blijft even nog wat wit
als in de boomhut in het bos
de kinderen hun dagelijkse spel
met elkaar gaan spelen.
61.
Het kleine kerkje was al oud,
het nieuwe paar ervoor nog jong.
Zij waren met elkaar getrouwd,
terwijl het volk voor hen zong.
Ik zat te dromen bij een beuk
en kon dit alles heel goed zien.
Ik hield het geldstuk in mijn hand.
Het had beslist twee zijden.
Er is, zoals je weet het beeld
van alles voor elkaar te zijn.
Maar weet dat achter elk beeld
de plaats is van het teken.
De koets met paarden kwam nu voor
en mijn ogen gingen open.
Ik riep de grote vogel toe
hen mijn geheim te denken:
dat trouwen samengaat met trouw zijn,
maar meer nog met vertrouwen schenken.
62.
Wie een mens enkel voor zichzelf wil houden
zal hem verliezen.
63.
Ware liefde is de weg naar de Vader.
De Vader vraagt niet hoe wij gekomen zijn,
maar is blij met onze komst.
Oordeel daarom niet de liefdeweg van je naaste,
doch blijf zelf getrouw voortgaan op jouw eigen weg.
64.
De Zoon schonk eindeloos vertrouwen in de zwakke mens.
De zwakke mens voelde zich groeien in deze vriendschap,
en werd sterk.
65.
Afgunst verduistert de ziel.
Vertrouwen verlicht de ziel.
In alle tijden was er afgunst
op het land, het huis,
de vermogens en de vriendschappen van de ander.
De Zoon kwam en zei:
Heb je naaste lief als je zelf.
Vertrouw hem het land toe.
Vertrouw hem het huis toe.
Vertrouw hem de vermogens toe.
En vertrouw hem de vrienden toe
alsof jij hem was.
66.
Uit de stroom der tijden
traden wil, wijsheid, beweging en vorm uit de Vader
en schonken vol vertrouwen in de Zoon, de Geest aan de mens,
opdat de mens zou liefhebben en verlossen,
en licht zou brengen waar duisternis was.
67.
Als een mens ons kwetst
zijn we gewond
en zoeken de afzondering.
In de afzondering is de duisternis
waarin de Zoon ons roept
naar het licht van de ander
en de wond geneest
in de verzoening.
68.
De weg naar de Vader
is als een tocht door een berglandschap.
Dan weer staan we op een bergtop
en voelen ons sterk met wijdse blik,
dan weer verdwalen we in een bos.
69.
Er is niets zo gevaarlijk als de overtuiging
dat men de waarheid heeft
en haar behoedster is.
Het is veiliger
naar de waarheid te blijven zoeken
en het zoeken van de ander vrij te laten.
70.
De geuren van het bos dat nog nat is
omspelen de voet van de verste boom
en aarzelen de weide te betreden
wanneer in de blinkende sloot
de zoekende beweging
van een eenzame vis
de zilveren spiegel doet rimpelen
in deinende cirkels
welke zich groot maken en
in de weelderige begroei∩ng
een waternymf storen
bij haar vlijtige werk
van steeds weer ander vormen aan te nemen
welke de geuren welgevallig zijn
en de schoonheid van het leven
mogen bezingen in wederkerig
schijnen en verschijnen
in het oog
dat vol verwondering
ziet met het hart van het bos
dat nog nat is en geurt.
71.
Het einde van de hooimaand
wordt hier nog echt gevierd
met danken en met zingen
tot ver na middernacht.
Het is de hoogte van de zomer.
De herfst die al wacht
in de vochtige plekken van het bos
heeft een paddestoel gebracht
op het kronkelige pad
waarlangs meneer pastoor
nog dagelijks breviert
en de beminde gelovigen
goedmoedig de zeden maant.
72.
En 's avonds was er bal
op d'open plek in 't bos,
de mensen kwamen toe,
en dansten er op los,
de vogels bleven zwijgen,
de ruimte kreeg een blos,
beweging overal
van gnomen in het mos,
tijd om te gaan slapen,
de vormen worden bros.
73.
Twee kleuters op een wip.
De een zet af en roept:
"en ik en ik en ik!",
de ander dan herhaalt:
"en ik en ik en ik!",
een wederkerig spel
in woorden nu vertaald.
74.
Oude wagons uit de jaren dertig
met kussens waar je helemaal in wegzakt
worden door een stoomloc langzaam
door het Krekenland getrokken.
Het land trekt aan ons voorbij,
en wij aan het land,
en aan de mensen die naar hun achtertuin lopen
om naar ons te kijken en te zwaaien.
Wat eenmaal in de week gebeurt blijft biijzonder.
Aan een kant houden we de ramen dicht
om de zwarte rook niet binnen te krijgen.
De vuurhaard gloeit rood in zwart.
Je hoort de stoom sissend ontsnappen
uit de dubbelwerkende cylinders
en bij elke overweg komen we nagenoeg tot stilstand.
Het hoort er allemaal bij,
net als de zaadpluizen die komen binnenwaaien,
en de zakdoek om de hals van de machinist.
75.
Gisteravond was het bal
op de open plek in het eikenbos.
Mijn zoon van vijf heeft er tot middernacht gedanst
en is snel in slaap gevallen,
nadat hij ons eerst met zijn zaklantaarn
naar de tent had geloodst.
Youth for light,
en ik haal de inklapbare picknicktafel naar binnen.
Slechts vier sterren kunnen deze nacht
met hun licht door de sluier komen.
Maar vier moet voldoende zijn.
76.
Op zondagochtend tilt hij de kilo's op zijn sportfiets.
In gestaag tempo, in een glimmend sportbroekje.
Dat kleedt zo mooi af.
77.
Met mijn fietstassen vol boodschappen
rijdt ik langs het café dat in het groot reclame maakt
voor het biermerk Jupiler.
Men moet dat laatste uitspreken op zijn frans,
daar men anders niet het huwelijk
tussen dat bier en dat café bemerkt.
Het feestende pasgetrouwde paar
had juist pauze genomen
en rookte samen in de deuropening een cigarette.
Men kon zien dat zij het warm hadden in hun mooie kleren.
Het was zo windstil dat de rook om hun hoofd bleef hangen.
Ik zette nog even aan op de trappers,
anders zou het kuipje margarine leeglopen
voor ik terug was bij de tent,
en besefte
dat ontspanning een kwestie is van de juiste inspanning.
79.
Op de grens van zon en schaduw
vliegt een vlinder mij voorbij.
Twee bruingevlekte vleugels
van fijngeweven zij,
spoeden zich door vlammend vuur
dat onzichtbaar zienderogen
tekens in de ruimte wijdt.
80.
Elke vorm kan de ziel in beweging brengen
en de wijsheid doen voelen van wat gewild wordt.
Zij keek met open ogen naar de velden in het zomerlicht.
Maar haar hart was dicht
en kon niet meer bewegen
tot bij haar blote voeten
een kleine blauwe bloem
haar aandacht wist te vangen.
Ze werd blauw, rond en vloeiend
en de velden rijk en levend.
81.
De wind ademde door het beschaduwde gras
dat zacht en vochtig in beweging kwam
als de pels van een slapende wolf
die zich overgeeft
aan de luie warmte
van de middagfee.
83.
Mijn oog viel op een zin in een oud boek
dat langs de waterkant wachtte
nieuw gezien te worden:
"zalig de zachtmoedigen".
Terwijl ik het stromende water van de beek
tussen de vingers van mijn hand liet spelen
peilde ik de moed die nodig was
om zacht te zijn
en het water gaf haar diepte prijs
in de dans van een kleine vis
om het rustende blad van een lelie
lang voor het boek bij de mens kwam.
83.
Libellen die als kleine helikopters
over het avondgras scheren met wendingen
die voor het oog nog juist te volgen zijn,
veranderen de ruimte die door de vlinders
in de middag was toebereid met vurige zorg,
in lichtende beweging
welke zich voor het hart samenvoegt
tot een rustende gestalte
die hoog boven de toppen
van de windstille eiken
langzaam ontwaakt
als de reus van de avond
die deze dag zijn donderende hamer thuisliet,
en nu zijn machtige handen heeft samengevouwen
voor een gebed
dat in de aarde wordt gehoord
tot de eerste sterren in de ruimte
van de zomernacht stralen.