Winterlicht.
Een kerstspel van Jan Verhoeven
Overveen, oktober 1993.

Alle aanduidingen gezien vanaf het toneel naar het publiek toe.
Een kaars op standaard in het midden. Rechts een stoel.
Het doek gaat open. Blauw-achtig licht. De man is rechts op.


Man:
Dit, zijn de jaren van mijn leven.
Alles, heb ik gezien,
alles, gehoord.
Ik was op vele plaatsen,
en in mijn kast, staan 1000 boeken.
Ik zag de fabrieken komen.
Ik heb gewacht,
tot pa, zijn eerste auto kocht,
en ma, de koelkast binnenbracht.
Ik zag opa, naar de sauna gaan,
en oma, rock-en-rollen.
Ik zag de komst van de agenda,
van het slinken van de tijd.
Ik zag kinderen, die nu menen,
dat je alles hier kunt kopen.
's Avonds, is mijn huis verlicht,
als een fonkelende kermis.
 
(beweegt richting stoel)
 
Ik zie moeders, discussieren,
met hun 10 jaar oude dochters,
over schmink, en nieuwe kleren,
of wat er in de mode is.
Ik zag mensen op de maan,
en de komst, van nieuwe ziektes.
Mijn tante, heeft een kunststof heup.
Een dinosauris, is de jongste waan.
 
(gaat zitten)
 
 
Mijn geld, dat haal ik uit de muur,
evenals mijn avondeten.
Ik heb een kastje, voor muziek.
Een kastje, vol met beelden.
Slapen doe ik met twee pillen.
Wakker worden met gepiep.
 
Mijn zoon is kampioen geworden,
als video-spellen-excentriek.
Alles is te koop.
Alles is te horen.
Alles is te zien.
Het leed van vele volken,
gezeten, in mijn luie stoel.
 
(staat alert op, spreekt snel)
 
Ik kan nu eindelijk kiezen,
uit wel 120 dromen.
25 scholen.
47 geloven.
125.000 pillen.
400 therapieδn.
16 televisie-zenders.
1 miljoen boeken.
Cursus zus, en cursus zo.
Ik hoorde mozart uit een een walkman,
op een vliegstoel in de wolken.
 
 
 
(spreekt vermoeid en belast)
 
't is nu alles automatisch.
Ons dient de god, genaamd: Gemak.
Alles wordt in 't licht gezet.
Niets, blijft langer nog, verborgen.
De stilte, is als bruid verwed.
Niemand, geeft mij ruimte.
Niemand, geeft mij tijd.
Hier loopt mijn weg ten einde.
In de nacht, gaan allen uit.
 
(gaat rechts af)
 
 
Geestes-Ik van de man:

Ik verheug mij, op de aarde,
voor wat ik daar, mag doen.
Mij wacht, belangrijk werk,
aan het lot, dat ik vergaarde.
 
Ik verlang, opnieuw te zien,
de vormen, van het goddelijk werk,
de kleuren, van de regenboog,
de meeuwen, in het blauwe zwerk.
 
Ik verlang, opnieuw te horen,
het ruisen, van de wind,
de klokken, van de toren,
het spreken, van een kind,
 
Ik verlang, opnieuw te voelen,
hoe mijn hamer vaardig koper drijft,
naar de vorm, van mijn bedoelen.
Hoe mijn hand, haar zegen schenkt,
in het matten, van de stoelen.
 
 
Ik wil, de aardegrond bewerken,
tot een gouden hemelzaal.
Opnieuw, de band versterken,
met het woord, dat ik verhaal.
 
Maar, zal ik straks,
in 't aarde donker,
nog van mijn hemels, streven weten.
Hoe kan ik mij, als baken,
een wekkend licht, meegeven.
Een zwaard ook, tegen draken,
tegen weggezogen, leven.
 
(duidelijke rust in de tekst)
 
Mijn bang vermoeden, wordt bewaarheid.
Mijn zoon vergeet, zijn ware taak.
Hij baadt zich, in het schelle licht.
Luistert, naar het vals gekwaak.
Verstard is hij, in grote angst.
Lauw, in eindeloze twijfel.
Passief, als een machine,
staande, voor een blinde muur.
 
Ik neem hem nu, zijn laatste baken.
Opdat hem slechts, de afgrond rest.
In zijn val, zal hij ontwaken,
wordt zijn grote dorst, gelest.
 
(blaast de kaars uit)
 
 
 
Nu geven vioolklanken de zielebeleving van de aarde-mens weer, van mineur naar majeur. De ziel van de man, de speelman, komt al spelende, links op. De man komt van rechts bij het aanvankelijk horen en dan ook zien van de speelman. De speelman eindigt rechts van de kaars. De man links.
 
Als de muziek ophoudt, gaat de aarde-mens naar zijn speelman toe.
 
Man:
Zeg mij, speelman.
Hoe dan, wekt gij, uit dit dode hout,
die wondervolle klanken.
Hoe brengt gij, wat nog stil is,
tot dit fijnbesnaarde, danken.
 
 
Speelman:
Dit hier, is mijn instrument,
bespannen, met vier snaren.
Ik houd de strijkstok, in mijn hand,
en oefen spelend, de gebaren,
waar het hout, van klinken gaat.
 
Dit hier, is mijn instrument,
dat meegroeit, met mijn leven.
Wij raken, aan elkaar gewend,
in wederkerig, geven.
 
Haar weerstand, is mijn dirigent.
Mijn vingers raken, aan haar snaren,
als mijn strijken, haar bekent
tot het baren, van de klanken;
een lied, voor ons bestemd,
waarmee wij, willen danken,
de geest, die ons hier zendt.
 
 
 
Man:
Hoe wonderlijk, wat u mij zegt.
Alsof ik hier, mijzelf zie.
Niet eerder, had ik zo gekeken,
naar de wereld, om mij heen.
Ik leefde, in mijn zinnen,
en ging, nog nergens heen.
Uw beeld, doet mij bezinnen,
op wat uiterlijk, mij scheen.
 
Mag ik als dank, u tonen,
wat mij nu plots, bezield.
Het is, zo heel eenvoudig,
In mij, al haast vernield.
 
(steekt kaars aan)
 
De was, is in mijn handen.
De pit, gelijkt mijn ziel.
De vlam, is geestes-licht, en warmte.


Geestes-wezen:
Zie, hoe de vlam, de was doet branden.


Ziele-wezen:
Zie, hoe de pit, hen samenbindt.

(Geest en Ziel gaan af; man neemt de kaars in zijn handen en
beweegt naar voren)
 
 
Man:
Zie, de was, in vlammend licht,
nu een baken, in mijn handen.