(Relevant parts of the account by Paulus van den Berg on his childhood and the older members of his family, as he remembered them)
Verslag van Paulus van den Berg over zijn jeugd. (uitsluitend de relevante passages voor deze website)
Mijn eerste herinneringen gaan terug naar den tijd, dat mijn ouders in Den Haag op den Zuid-Binnensingel woonden. Een weinig voor een leraar middelbaar onderwijs passende buurt, zal menigeen die de straat tegenwoordig ziet, denken. Maar in dien tijd (vóór 1880) was het een zeer fatsoendelijke woonplaats en bewoonden mijn ouders een van een rijtje zeer nette ambtenaarswoningen. Mijn moeder keek van de voorkamer uit op de toren van Wateringen, waar mijn grootvader H.W. Metman notaris was; want de Zuid-Binnensingel was toen het uiterste randje van de stad; de gronden aan de voorzijde van de gracht waren onbebouwd; elken morgen kon men daarlangs een herder met zijn schapen zien uittrekken!
't Was daar, dat mijn ouders Jan Toorop, den lateren schilder, die toen de hoogere burgerschool bezocht, in huis hadden en ik herinner me, dat hij het behangsel in de studeerkamer van mijn vader, die gebouwd was over den toegang tot een achter ons huis gelegen hofje, met allerlei teekeningetjes in inkt en potlood heeft versierd. Wie weet of die nog niet zouden zijn te vinden?
Deze herinnering brengt mij als als vanzelf op Wateringen, waar mijn grootvader zoo'n langen tijd notaris is geweest en gewoond heeft in het door hun gebouwde huis Altena. Aan de stichting van dat huis is een anecdote verbonden. Door den bouw achtte de buurman, zich bezwaard, daar hij meende, dat deze zijn "windrecht" zou benadelen. Toen de notaris weigerde verandering in het bouwplan aan te brengen, ontstak de molenaar in hevigen toorn en riep uit: "Nu ga ik mijn molen zoo hoog bouwen ,dat ik van mijn omloop in zijn schoorsteen kan sch..ten!" Hij heeft inderdaad hooger gebouwd, al heeft hij zijn bedreiging, zoover ik weet, nooit kunnen uitvoeren, maar een wrok is er steeds tusschen de twee geburen blijven bestaan.
Mijn grootvader Metman was een groote, forsche man met een barsch uiterlijk. Als kinderen hadden wij altijd een zekere angst voor hem, ofschoon daartoe geen enkele reden bestond, want hij was een zachtmoedig man. De Pinksterdagen kwam hij elk jaar bij mijn ouders doorbrengen en een dier dagen was gewijd aan een rijtoer naar de bosschen van Beetsterzwaag waar we in het café "Het Witte Huis" uitspanden en koffiedronken. In die bosschen bevond zich een laantje, dat door ons, kinderen, het dubbeltjeslaantje werd genoemd, omdat wij daar steeds dubbeltjes en kwartjes en mijn moeder zelfs een gouden tientje vond!
Begonnen als bierbrouwer te Waalwijk, werd hij vervolgens burgemeester van Ridderkerk en daarna notaris te Wateringen. Zijn gezin had in vrij groote mate de ongegronden familietrots, die men zo dikwijls vindt bij plattelandsnotarissen. Zoo beweerde bijvoorbeeld mijn tante Anna (van der Voort-Metman) in vollen ernst dat zij van Johanna van Arragon afstamde! Ook werd het huwelijk van mijn moeder met eem dominee's zoon en leeraar middelbaar onderwijs beschouwd als eigenlijk beneden haar stand te zijn en liet de verhouding tusschen mijn vader en zijn schoonvader, ofschoon later zeer goed, in het begin van zijn huwelijk voornamelijk uit dien hoofde veel te wenschen over. Die trots werd lelijk gekwets toen later de jongste dochter Lena met een timmerman trouwde!
Mijn grootmoeder Metman-Rauws was een nietig, onaanzienlijk menschje, een huissloof, die ik mij eigenlijk weinig anders kan voorstellen dan in de bijkeuken zittend in het halfdonker bij een open plaatvuur, waarboven aan een ketting een ijzeren ketel hing. Hier zat zij haar potje te koken en haar vuurtje te onderhouden met houtjes en sâamgeraapte takken. Ik geloof dat het een goed huismoedertje was, maar dat er niet veel "bij" zat.
Het leven in het huis Altena was zeer eenvoudig; men ging weinig uit en zag weinig mensen. Bij feestelijke gelegenheden in de familie werden echter intieme eetpartijtjes gegeven, die beroemd waren door keur en overvloed van spijs en drank. Bij één van die feestjes viel er een wijnglas van de tafel, dat, na een salto mortale te hebben gemaakt, zonder letsel op de grond stond. Nog eens beproefd, en ziet, weer stond het glas heelhuids op de grond. Natuurlijk moest deze toer in het vervolg aan iederen nieuwen gast als groote merkwaardigheid worden vertoond. Meestal gelukte het, maar het slot was toch, dat alle glazen van het stel, dat deze eigenaardigheid vertoonde, langzamerhand bij de herhaalde vertooningen zijn gesneuveld.
Mijn grootvader ging eens per week 's avonds naar de kolfbaan, dronk daar zijn paar glazen bier (als Brabander was hij daarvan een groot liefhebber) en keerde vroegtijdig huiswaarts. De overige avonden bracht hij thuis door. Hij was een huiselijk, kalm en matig man. Zijn fruit- en moestuin was zijn trots, en die mocht dan ook gezien worden. Maar zijn schoonzoons rekenden hem voor, dat elke meloen hem f25,- en elke perzik een tientje kostte.
Een typisch staaltje van zijn optreden heb ik meegemaakt, toen ik eens met hem meegereden was naar Den Haag, waar hij eenmaal per week zijn zaken ging doen. Aangekomen in de herberg, waar hij gewoonlijk uitspande, vonden we daar een drietal boerachtige jongelieden om het biljart bezig met een bedroevenden uitslag een soort kunststoot te beproeven. Mijn grootvader staat dat een poosje stilzwijgend te bekijken, gaat plotseling zonder iets te zeggen naar een van de dilettant-biljartmeesters toe, neemt hem zijn keu uit handen, legt de ballen op het biljart, maakt zonder hapering de verlangde carambole, geeft de keu aan de speler terug, draait zich om en stapte steeds zwijgend zoo trotsch als een pauw de herberg uit en de stad in.
Mijn grootmoeder was de laatste jaren van haar leven geheel hulpbehoevend. Eenige met tusschenpoozen terugkeerende aanvallen van beroerte sloopten haar lichamelijk en geestelijk, zoodat ze ten slotte geheel kindsch werd. Mijn grootvader stierf een jaar later. Hij ging opgewekt en vroolijk te bed, oogenschijnlijk kerngezond; 's morgens vond men hem dood in zijn bed. Ik herinner mij niet, dat hij ooit ziek is geweest. Enkele jaaren vóór zijn dood viel bij het schrijven zijn pen uit zijn hand. Mijn vader beweerde dat het niets anders dan schrijfkramp was geweest, maar de dokter schreef hem toch eenigen tijd volstrekte rust voor. Mijn grootvader zit dit aan mijn vader te vertellen: "Ja, Jan, nu heeft de dokter mij gewaarschuwd. Ik mag mij volstrekt niet opwinden, me niet kwaad maken, maar….. als ik dien vervloekten hond van den bakker in mijn handen krijg….! Daar zit-ie voor den donder weer tusschen mijn rozen!…." en hij springt uit zijn stoel, grijpt een gereedstaanden stok en vliegt het kantoor uit den rozenschender achterna.
Van hun vele kinderen bleven er zes in leven; de anderen zijn jong gestorven, onder anderen twee jongens, beide Leonard genaamd, van wie de een aan kroep overleed en de andere is verdronken, waarna de ouders besloten geen hunner kinderen dien naam meer te geven. (Ze waren genoemd naar den broeder van mijn grootvader, Mr. Leonard Metman, een vermaard rechtsgeleerde, die o.a. een der drie leden was van de staatscommissie, die tot taak had te onderzoeken, welke Fransche wetten na de invoering van onze nationale wetgeving van kracht zijn gebleven, en die als regeringscommissaris in Suriname is geweest om een wetgeving voor die kolonie te ontwerpen.)
De overlevende kinderen waren twee zoons, Flip en Charles (Pieter Karel Sebastiaan) , en vier dochters, Jet, Lot (mijn moeder), Anna en Lena.
Mijn oom Flip was zonder overdrijving een reus. Hij ondervond eens in Haarlem op een wandeling eenigen last van het publiek, dat meende in hem een juist in die dagen op de kermis aldaar tentoongesteld wondermensch te zien. Mijn vader, die van normale lengte was, kon gemakkelijk rechtop onder zijn uitgestrekte arm doorloopen. Hij was evenals mijn oom Charles als marine- officier begonnen, maar is later als indisch-ambtenaar van Oost-Indië vertrokken, waar hij tenslotte werd gepensioneerd als secretaris van de residentie Bantam. Hij kwam in het vaderland terug met een dochtertje (Pauline), het kind van een inlandsche moeder, en trouwde weldra met Mina van der Voort, de zuster van Azuerus van der Voort, met wien mijn tante Anna was gehuwd. Tante Mina was een buitengewoon goed mensch. Pauline, die door haar als eigen kind is grootgebracht, ontdekte eerst bij haar huwelijk, dat tante Mina haar moeder niet was!
Zij kregen drie kinderen: Marie, die als arts ergens in Twente een goede praktijk kreeg, doch zeer jong aan tuberculoze is overleden; zij was bijna evenlang als haar vader; en twee zoons; Henri en Flip; de laatste was indertijd in Weenen verbonden aan een filmmaatschappij. Pauline is twee malen gehuwd geweest; eerst met een onderwijsman in Indië en thans met J.R.J. de Raadt met wien zij te Bilthoven, Haydnlaan 1 woont.
De volgende gebeurtenis laat oom Flip in zijn eigenaardige opvattingen zien. Eens beklaagde tante Mina zich over haar huisnaaister, die zij lui en slordig vond. Oom Flip trachtte daaraan onmiddelijk op Indische wijze een eind aan te maken door het mensch een flink pak slaag te geven. In tranen badend verdween het slachtoffer, maar denzelfden dag verscheen de echtgenoot van de mishandelde. Oom Flip, die niet anders dacht dan met een boozen wreker van het begane onrecht te doen te krijgen, was ten hoogste verbaasd toen hij in tegendeel een dankbetuiging voor de heilzame afstraffing moest in ontvangst nemen en hem het verzoek werd gedaan zoo nu en dan de naaister aan eenzelfde behandeling te onderwerpen.
Oom Flip is later gaan lijden aan verstandsverbijstering, werd gevaarlijk voor vrouw en kinderen en moest als verpleegde in Merenberg worden opgenomen. Hij is er tot zijn dood gebleven. Mijn vader heeft hem daar eenige malen bezcht, bij welke bezoeken de patient een vrij normalen indruk wist te maken.
Oom Charles was een wonderlijke sinjeur. Hij is nooit getrouwd geweest en was al betrekkelijk vroeg als marine-officier gepensioneerd; daarna heeft hij niets uitgevoerd en in Den Haag op kamers gewoond. Hij was een ruwe bolster met een blanke pit; zijn taal was om het andere woord een vloek, maar zijn hart was van goud.
Mijn ouders pasten voor het wisselen van voor verloofden zoo veelvuldig noodzakelijke en niet voor openbaar making bestemde boodschappen een optisch seinstelsel toe, door uit de vensters van het notarishuis te Wateringen en van de pastorie te 't Woudt die slechts drie kilometer van elkander stonden verwijderd, allerhande lijnwaad van diverse vormen en kleuren te doen wapperen, welke teekens alleen voor de twee ingewijden een duidelijke taal spraken.
Na den dood van mijn grootvader Metman was er een diepe verwijdering ontstaan tusschen mijn ouders en mijn tante Anna en haar man eenerzijds en oom Charles en tante Jet anderzijds. Die twist is wat oom Charles aangaat nimmer bijgelegd; na het overlijden van mijn vader is de verhouding met tante Jet weer zeer goed geworden. Mijn moeder was toen in Amsterdam gaan wonen, kwam veel samen met tante Anna en haar man, en dezen waren reeds eenigen tijd verzoend met tante Jet, die evenals zij in Haarlem woonde.
Kort nadat mijn vader was gestorven ging ik eens met mijn moeder in Pomona in Den Haag eten. Zooals gewoonlijk waren alle tafels bezet. Een heer, die alleen aan een tafel had gegeten, was juist met zijn maaltijd gereed en bood ons zijn plaats aan, van welk aanbod wij dankbaar gebruik maakten. Toen we waren gezeten en de vreemde was vertrokken, vroeg ik mijn moeder of ze wist wiens plaats wij hadden ingenomen. "Neen", antwoordde zij. "Wel, dat was oom Charles".- "Och, neen, dat kan niet"- De onbekende was stamgast in Pomona, want hij had zijn servet opgerold en in den daar voor bestemde ring gestoken. Daarom vroeg ik aan de dienster of zij den heer die onze tafel vóór ons had gebruikt, kende. "Zeker, dat was mijnheer Metman". Gij kunt U de verwondering voorstellen van mijn moeder, die haar eigen broer niet had herkend. Zij had hem in twintig jaar niet gezien! Zou hij hebben geweten aan wie hij zijn plaats inruimde?
In al die jaren had ik generlei betrekkingen met oom Charles onderhouden, doch nauwelijks was ik tot notaris benoemd of ik ontving van hem een briefje, waarin hij mij verzocht bij hem te komen. Nieuwsgierig naar de aanleiding tot die uitnodiging voldeed ik daaraan. Na mij op de hem eigen ruwe manier overstelpt te hebben met raadgevingen voor mijn nieuwe positie,- waarvan ik eerlijk gezegd de meeste niet heb opgevolgd-, vroeg hij mij: "Heb je geld?"Op mijn ontkenned antwoord viel hij uit: "Je moet toch g.v.d. geld hebben om zaken te doen. Ik heb negen honderd gulden liggen, waarmee ik niets doe. Die zal ik je geven. Je kunt ze me terugbrengen, zoodra je dat mogelijk is". Van weigeren was geen sprake en nadat hij nog velerlei vragen omtrent mijn moeder en mijn zuster Lot had gesteld, vertrok ik met negen honderd gulden in mijn zak, zonder dat ik daarvoor een bewijs had kunnen afgeven. Na een jaar was ik gelukkig in staat hem zijn geld terug te brengen en begaf ik mij naar Den Haag om het hem te overhandigen. Maar dat was gemakelijker gezegd dan gedaan. "Houd het maar", zeide hij, "als je het nodig hebt kan je het voor jezelf gebruiken. Is dat niet het geval, dan moet je het bewaren voor je zuster Lot, want zoo'n meid alleen in Amsterdam dat wordt natuurlijk donderen, en als het zoover is en ze in de war zit, kan je haar daarmee helpen."Gelukkig heb ik het zelf nooit noodig gehad en dus heb ik het later gebruikt om Lot te helpen toen ze haar huis in de Vossiusstraat aankocht en dat voor haar massage-instituut moest inrichten. Het zwak, dat hij blijkbaar voor Lot had, die hij evenmin als een van ons allen kende, schrijf ik toe aan het feit dat zij naar zijn moeder was vernoemd. Niet lang daarna is hij overleden. Mijn nichten Pauline Metman en Marie Metman waren zijn eenige erfgenamen.
Tante Jet huwde op lateren leeftijd met den candidaat van mijn grootvader, Teunis Scheltema, een Amelander, wiens tweede vrouw zij werd. In haar jonge jaren is ze verloofd geweest met een zekeren Meerdink uit Winterswijk, dien zij had leeren kennen, terwijl zij aldaar bij mijn ouders logeerde. Aan de verbreking dier verlooving schijnt een soort drama te zijn verbonden geweest; ik heb althans meermalen hooren spreken van zelfmoord-plannen of –pogingen van den minnaar, die men in een café in een onzer groote steden aantrof in een allesbehalve florissanten toestand en die door een of meer zijner aanstaande zwagers werd verhinderd zijn wanhoopsdaad te volvoeren.
Scheltema had twee kinderen uit zijn eerste huwelijk, een zoon Leendert den kunstschilder, en een dochter Jikke, die gehuwd is met Dr. Milatz, den orthopedist te Rotterdam. Scheltema is nimmer notaris geworden; hij bleef na den dood van mijn grootvader als secretaris-ontvanger van diverse polders en assuradeur. Na zijn dood ging tante Jet, die uit hoofde van haar huidskleur in de familie bekend stond als de "bruinvisch" , in Haarlem wonen en van dien tijd dagteekent de latere toenadering tusschen haar, de familie van der Voort en mijn moeder. Ze was een klein persoontje met een echt zuidelijk uiterlijk. Ze leefde in Haarlem zeer zuinig, zoo niet gierig. Wat er in haar nalatenschap werd gevonden aan allerlei prullen, jarenlang bewaard en opgeborgen, moet aan het ongeloofelijke grenzen. Mijn zuster Jeannet, die de eer genoot dien chaos op te ruimen, zou daarvan meer kunnen vertellen.
Mijn tante Anna huwde met Azuerus van der Voort. Ze leerden elkander kennen in Gorinchem, waar hij als infanterie-officier in garnizoen lag en zij bij mijn ouders logeerde. Vóór zijn huwelijk werd hij leeraar aan de hoogere burgerschool te Haarlem. Ze woonden daar op het Staten-Bolwerk en vormden met hun kinderen en de scholieren, die zij steeds in huis hadden, een recht genoeglijk, gezellig gezin, waarin een prettige, hartelijke geest heerschte en mijn ouders en wij, kinderen, dikwijls en steeds op de meest aangename wijze logeerden. Wederkeerig kwamen de leden van de familie van der Voort veel bij mijn ouders op bezoek en is steeds de meest hartelijke, innige verstandhouding tusschen die beide gezinnen blijven bestaan. Er kon in een van beiden geen huiselijk feestje zijn zonder de aanwezigheid van een of meer leden van den anderen tak en geen leed, dat niet over en weer werd gedeeld en zooveel mogelijk gelenigd.
Toen tegen het einde van een vacantie mijn broer Henri, bij hen gelogeerd, roodvonk kreeg, werd direct een ander huis gehuurd, waar de familie van der Voort voor den duur der ziekte introk, en kwam mijn vader bij den patient om dezen te verzorgen. Deze maatregel was gewenscht, omdat anders nóch mijn oom nóch de kinderen en kostjongens na de vacantie de school hadden mogen bezoeken. Mijn moeder loste mijn vader af toen de vacantie ten einde liep en al de weken, die verliepen eer de ziekte goed en wel was geweken, bleef het huis ter beschikking van mijn ouders en kwamen de van der Voorts dagelijks voor het raam naar den toestand van den zieke informeren en hem versnaperingen brengen.
Tanta Anna was de blondste van de zusters, maar toch had ook zij het onmiskenbaar zuidelijke type, dat de geheele familie eigen was; zij had niet dat ravenzwarte haar van de anderen. Zij was een degelijke huisvrouw, alles liep in haar huis "op rolletjes", ofschoon er heel wat kwam kijken voor een moeder Van vier kinderen, op wier schouders ook nog de zorg voor een of meer pleegkinderen rustte, maar ze sloeg er zich kranig door. Zij was niet zoo zacht van aard als mijn moeder, veel harder in haar oordeel en veel scherper en hatelijker in haar vooroordelen. Overigens hadden de zusters beide veel gemeen, zooals ze uiterlijk ook veel gelijkenis vertoonden, al kon tante Anna wat lichamelijk schoon betreft niet in de schaduw staan van mijn moeder, die niet voor niets "de parel van het Westland" werd genoemd.
Oom Zwerus was een weinig ijdel en zag er niet tegenop met andermans veeren te pronken, als hem dat den lof van anderen kon bezorgen. Zoo leende hij meermalen een lezing van mijn vader, droeg die in zijn loge (hij was vrijmetselaar) voor en liet die voor eigen werk doorgaan. Maar buiten deze zwakheid was hij een brave kerel, die het wel hartelijk met ieder meende, spoedig aangedaan en tot tranen toe bewogen bij de minste aanleiding. Hij heeft wat tranen geplengd bij min of meer aandoenlijke toespraken, die bij onze feestelijke familiemaaltijden werden gehouden! Hij deed mij dan altijd denken aan Micawber, maar ….dan zonder diens financieele moeilijkheden, want hij was een goed financier.
Hij was een hypochonder; er zijn weinig ziekten, die hij niet in zijn verbeelding heeft gehad. Voornamelijk was het een denkbeeldige hartkwaal, die hem heel veel zorgen baarde en eigenlijk zijn leven heeft vergald. Ik ben ervan overtuigd, dat de gedachte daaran en de angst daarvoor hem bijna geen oogenblik loslieten. Mijn vader plaagde hem er dikwijls mee, zeggende "Jij zal nog op ons aller graf staan en een langen neus trekken". En werkelijk heeft oom Zwerus hen allen overleefd.- Eens dat ik met hem een wandeling maakte in de duinen bij Bloemendaal, stelde hij voor om 't hardst een dier hoogten te beklimmen. Toen we boven stonden, zeide hij : "Voel nu eens hoe mijn hart bonst!"- "Dat doet het mijne ook". –"Laat mij eens voelen"- En toen hij zijn hand op mijn borst gelegd had, riep hij uit: "Verdomme, dat klopt nog veel harder dan bij mij!'Zooiets gaf hem dan voor korten tijd moed, totdat zijn zenuwen hem weer de baas werden en hij weer allerlei verdachte verschijnselen ging waarnemen.
Van een wandeling naar Overveen, die hij met mijn vader en een viertal kinderen had gemakt, naar huis terugkeerende en de stad naderende, zeide hij tot ons: "Kinderen, nu gaan jelui langs het bolwerk naar huis en loop ik met je oom de stad door".- "Hè, pa, hoe vervelend", zegt Charley, "laten we nu bij elkaar blijven."- "Neen", antwoordt hij met den meest ernstigen nadruk, "als je vader zegt, dat het beter is, dat jelui het bolwerk omloopen, heeft je vader daarvoor zijn goede en gegronde redenen". En onder gemopper wordt door ons aan het bevel voldaan. Toen we verdwenen, zegt hij tot mijn vader: "Jan, ik kreeg ineens zoo'n trek in 'n borrel en daar in de …straat drink je 'm zoo lekker. Daar gaan we samen er een nemen en daar hebben de kinderen niets mee te maken!".
Ze hadden vier kinderen: Charlot (als kind Charley genoemd), Marie, Henri en Annie:- Annie is gehuwd naar Indië gegaan, waar ze zeer jong aan dysenterie is overleden, een harde slag voor haar ouders, die daaronder lang zijn gebukt gegaan.- Henri is ingenieur geworden en als zodanig ook naar Indië getrokken. Hij is thans gepensioneerd en was vóór den oorlog een vooraanstaand man in de liberale beweging in Den Haag. Hij heeft enkele jaren geleden bij mij in Goeree gelogeerd, toen hij in Stellendam een propaganda-lezing moest houden.-Marie geleek het meest op haar moeder, maar was veel bezadigder. Ze was een degelijke meid. Ze trouwde met Koos Hartog, leeraar middelbaar onderwijs in Indië, en woonde later met haar man en kinderen in Amsterdam. Gelukkig heeft haar man, die jood was, de vervolging door de nazi's niet beleefd. Haar eenigen zoon werd in den oorlog door de Duitschers gefusileerd.
Charlot was een overspannen schepsel; huilbuien, flauwvallerijen, woede- uitbarstingen waren bij haar geen zeldzaamheid en werden afgewisseld door uitgelaten en soms baldadige vrolijkheid. Toch was ze een gezellige en bij ons graag geziene logé. Voor haar ouders een uiterst moeilijk kind, dat hun veel verdriet heeft berokkend, en zij was oorzaak, dat de verhouding tusschen haar en haar ouders dikwijls zeer gespannen was. Zij trouwde met Charles van Rossum te Halfweg, verbonden aan de aldaar gevestigde suikerfabriekk. Hij was een onaangenaam mensch en ik ben overtuigd, dat zij bij hem geen pleizierig leven heeft gehad, Ze zijn dan ook na eenige jaren gescheiden. De beide zeer jonge kinderen, twee jongens, bleven bij haar. Ze is jaren geleden met die jongens naar Midden-Afrika getrokken, waar ze een stuk grond had gekocht en daarop koffie gign telen. Mijn zwager de Ridder beweerde, dat ze daar in een kafferkraal een toko hield, en dat tante Anna, om dien winkel van de noodige voorraden te voorzien, groote pakken met allerlei snuisterijen als kralen, mondharmonica's Spiegeltjes enzovoort, naar Afrika zond. Tante zelve beweerde, dat die lorren dienden om den talrijken voor Charlot arbeidende inlanders mee te betalen, dat zij midden in de wildernis zat, voor zich zelf een blokhuis als woning had moeten bouwen en daarom de eerste weken van haar verblijf aldaar heeft moet huizen in een van de ossewagens, waarmee ze de reis naar haar bezitting had gemaakt, en dag en nacht om dien wagen sloop, gewapend met eenige revolvers om de wilde dieren van zich af te houden en zich te verdedigen tegen kwaadgezinde inlanders. Toen een van de zoons daar was gestorven, wist tante Anna, dat hij uit wraak of jalouzie was vergiftigd. Ik geloof, dat al die verhalen op fantazie berustten en dat mijn zwager de Ridder het dichtst bij de waarheid was. Na vele jaren heeft Charlot een bezoek aan ons land gebracht. Ze kwam met de boot in Rotterdam aan. Zij, die haar verwelkomen, gingen allereerst met haar naar een mode-magazijn, daar de reizigster van top tot teen minstens twintig jaren met de mode ten achter was en aldus toegetakeld niet Nederland kon binnengaan en zich in het publiek vertoonen. Sedert heb ik niets meer van haar gehoord.
't Was tragisch, dat alle kinderen van oom en tante van der Voort in het buitenland terecht kwamen en die twee oudjes ten slotte moederziel alleen overbleven. Na den dood van tante Anna ging oom Zwerus op kamers in een rusthuis wonen, waar hij een hoogen ouderdom heeft bereikt en nog het genoegen heeft gesmaakt zijn dochter Marie en zijn zoon Henri in het vaderland terug te zien.
Tante Lena was van de dochters uit het notarishuis te Wateringen het minst in jaren, maar ook het minst in verstand. Ik heb steeds betwijfeld of ze wel geheel toerekenbaar was. Ze huwde met Jacob van Ek, timmerman en aannemer te Haarlem, woonde boven den timmermanswinkel en kreeg daar een zoon Jan. Oom Jaap van Ek offerde teveel aan Bacchus om orde op zijn zaken te kunnen houden en eindigde met een bankroet, dat hij niet lang heeft overleefd. Tante Lena heeft haar verdere lange leven (ze is 89 jaar oud geworden( in zeer bekrompen omstandigheden en met ondersteuning van diverse verwanten doorgebracht. Haar zoon was een minderwaardig persoon, die op mij verdachten wijze in zijn onderhoud trachtte te voorzien en zelfs niet schroomde zijn zoo nooddruftige moeder de karige familietoelage te ontfutselen.
Van de familie van mijn grootvader Metman is mij niet anders bekend dan dat zijn neef Flip Verhagen Metman burgemeester van Rijswijk was en dat deze van zijn negen dochters er drie in het rood, drie in het wit en drie in het blauw gekleed vóór zijn huis plaatste, toen de koning het dorp met een bezoek vereerde.
Ook van mijn grootmoeders familie is mij weinig bekend. Ik heb wel eens ontmoet een nicht Mien Rauws en haar broeder Karel, maar in welke betrekking Ze tot ons stonden weet ik niet. Ook heb ik dikwijls door mijn moeder de namen Van Appeltere en Platteel hooren noemen, maar dat zijn voor mij slechts klanken zonder beteekenis gebleven.
Han's Homepage
(Back home)
(Back to top of this page)
(Back to chapter Genealogy)
(Back to Metman page)
(Back to Rauws page)
(Back to Van der Voort page)