|
|
||||||
|
|
|
|
|
|||
| Fabrikanten en bedrijven | Marktontwikkeling | Klimaatcrisis | English | |||
| Kleine Windmolens | Windparkenkaart | Molenproducties | Contact | |||
| Cijfers | Incidenten | FAQ | ||||
| Techniek | Kosten-Baten | Links | ||||
|
|
Nieuws Kleine Windmolens, "Urban Wind" |
18 t/m 21 maart 2010:
Husum Duurzame energie met o.a. beurs en congres voor kleine windmolens, zie |
|
|
1 maart 2010
Van de vele typen minimolentje is de Energy Ball misschien wel de meest onvoordelige (Zie hieronder bij Minitesten in Schoondijke), maar op Vlieland moesten ze er toch mee aan de slag om de nieuwe haven een duurzaam aanzien mee te geven. Het molentje is eigenlijk bedoeld voor op het dak maar hier moesten ze op de begane grond komen zodat er ook nog eens een dure mast onder moest. Se staan er nu ruim een jaar maar twee molens hebben het onlangs begeven. Volgens de installateur leveren ze elk 700 kWh per jaar (zie: Homeenergy.nl/vlieland.htm). Dat is 10 keer zoveel als op het testveld Schoondijke !
Zie bericht op: Vlieland Nieuws. (Ben benieuwd hoe de daar vermelde "normale" terugverdientijd van 5 jaar is berekend)
Expo en Congres Minimolens in Husum, 18-21 maart
Wie alles wil weten over mini-molentjes moet over twee weken naar Husum, Noord-Duitsland. Daar wordt van 18 t/m 21 maart het eerste wereldcongres en tentoonstelling (minimaal 50 fabrikanten) over mini-molentjes gehouden. Zie New Energy Husum 2010 .
27 augustus 2009
Elders op deze pagina kunt u vernemen dat het (ecologisch) rendement van de meeste minimolentjes op de meeste locaties minder dan nul is. In de VS heeft men nu de oplossing bedacht om er maar twee op een enkele mast te combineren. Doet de ene het niet dan misschien de ander wel of allebei een beetje niks ? Maar twee keer niks blijft niks, volgens mij, ook al worden de kosten misschien wat lager door het dubbele gebruik van de mast. Het gaat hier om een snellopend Darrieus type en een langzaam lopende weerstandmolen (de binnenste). Als ze op dezelfde aandrijfas zijn aangesloten, zal de binnenste dus de buitenste alleen maar afremmen, en omgekeerd !
Info over het product op: Boston Herald
20 juli 2008
Brancheorganisatie windenergie NWEA,. waarin ook de producenten van zogenaamde mini-windturbines zijn verenigd (rotordiameter kleiner dan 15 meter), heeft een visiedocument en een info-flyer gepubliceerd over "miniturbines".
De organisatie stelt dat 50.000 van dergelijke molentjes in 2020 100 miljoen kWh per jaar kunnen leveren (evenveel als 5 grote windturbines en 0,1% van het huidige stroomverbruik, zeggen wij er bij ter gedachtebepaling). De afgelopen zeven jaar werden volgens NWEA 100 mini's geplaatst en ze verwacht tot 2012 nog ruim 700 molentjes te kunnen afleveren. Daarna zo'n 5.000 per jaar. Volgens NWEA wordt er met 100 GWh dan 56 duizend ton CO2 per jaar bespaard (560 gram per kWh) maar ze houdt daarbij dus geen rekening met de CO2 die nodig is om ze te produceren en te onderhouden. Uit Brits onderzoek bleek dat dat meestal meer is dan de besparing (zie hieronder bij B.R.E.T ).
Met betrekking tot de economie gaat de branche er vanuit dat de molens het "eigen elektriciteitsverbruik" dekken en dus "achter de meter" leveren. Daarbij wordt dus niet alleen op de kosten van de "gewone" stroom bespaard, maar ook op de BTW, 3 ct/kWh en de energiebelasting REB, 10,85 ct/kWh, in het tarief. Zo draagt het ministerie van financiën zo'n 14 cent per kWh "subsidie" bij (kleinverbruikers tot 10.000 kWh). Alleen op deze manier is het mogelijk om de peperdure mini's (in vergelijking met grote turbines) (op termijn) enigszins rendabel te krijgen. Deze situatie is vergelijkbaar met die voor zonnepanelen en NWEA meent dan ook dat de SDE voor mini's gelijk getrokken moet worden met die voor zonnepanelen. Momenteel vallen miniturbines onder hetzelfde SDE-regime als grote windturbines waarbij de waarde van de geleverde "grijze stroom" met subsidie aangevuld wordt tot de opwekkosten van de windstroom (9,4 ct/kWh voor projecten die in 2009 SDE-toekenning krijgen)
Flyer en visiedocument bij NWEA
17 augustus 2009 Groen Links heeft bij monde van woordvoerder Kees Vendrik kamervragen gesteld aan minister van de Hoeven. Hij wil o.a. dat de vergunningprocedures voor minimolens versoepeld worden en wil extra subsidie. De minister voelt echter niets voor extra steun voor minimolens. Ze krijgen al SDE plus nog extra subsidie (E.I.A en via "saldering" = teruglopende meter). Verder vindt ze dat ook kleine molens aan eisen moeten voldoen bij de vergunningverlening. EZ steunt wel de certificeringsprocedure ("Klein Wind Keur").
Zie: Vragen Groen Links en antwoorden Minister over kleine molens
14 mei 2008
In 2008 werden volgens een marktonderzoek van AWEA wereldwijd 19.000 minimolens (kleiner dan 100 kW) verkocht (39 MW). Er zijn wereldwijd 219 fabrikanten van kleine molens. De vijf grootste fabrikanten, South West Windpower, Proven Energy, Northern Power, Entegrity Wind Systems en Bergey Windpower leverden 65% van het vermogen. 35% van de fabrikanten zit in de VS. De helft van het nieuwe vermogen in 2008 ging naar de V.S. Daar wordt door een 30% investeringssubsidie verwacht dat de markt binnen vijf jaar zal toenemen van een cumulatief totaal van nu 80 MW naar 1.700 MW in 2013.
Engeland was de grootste exporteur van kleine molens. De marktstudie 2008 van de BWEA (kleiner dan 50 kW) meldt dat er in het V.K. nu ruim 10.000 staan (bijna allemaal kleiner dan 10 kW) met een vermogen van 20 MW en een jaarproductie van 24 miljoen kWh (evenveel als een enkele grote turbine op een kustlocatie). In 2008 kwam er 7,5 MW bij, iets minder dan vorig jaar. Het overgrote deel is niet aan het net gekoppeld en vrijstaand, maar de branche verwacht dat het aandeel net gekoppeld en het aandeel op gebouwen flink zal toenemen.
Marktonderzoek AWEA 2008 (pdf) "Small Wind" en onderzoek 2008 (pdf) bij de Britse windenergievereniging
2 februari 2008
In opdracht van SenterNovem heeft onderzoeksbureau Ingreenious b.v de "Nederlandse Beoordelingsrichtlijn Kleine Windturbines" opgesteld. De richtlijn omvat een "objectief protocol" voor het meten van de prestaties van kleine windmolens en schrijft voor hoe de meetresultaten geïnterpreteerd en gepresenteerd moeten worden om zo een objectieve vergelijking tussen turbines mogelijk te maken.
De richtlijn heeft betrekking op kleine, netgekoppelde molens tot 5 meter rotordiameter en betreft de windturbine, de regeling, de gelijkrichter en de omvormer. Mast en fundatie worden niet bemeten. Om de kosten van toepassing van de richtlijn te beperken en niet onnodig zwaar te maken (het gaat volgens de richtlijn veelal om kleine, startende ondernemingen) kent de richtlijn naast beoordeling door derden ook een "doe het zelf" mogelijkheid en zijn de vereiste metingen minder vergaand dan volgens certificering volgens AWEA, IEC en BWEA.
Als de molen is beoordeeld voor het onderdeel "ongebouwde omgeving" dan is er sprake van een "Kleinwind-keur". Het onderdeel "gebouwde omgeving" hoeft daarvoor niet doorlopen te zijn. De Keur is een "type-certificaat", hetgeen betekent dat aangenomen (en gecontroleerd) wordt dat alle turbines van dit type over dezelfde gemeten eigenschappen beschikken. Het is mogelijk dat de beoordeling wordt uitgevoerd door de fabrikant of leverancier zelf. Dat wordt "Zelfbeoordeling" genoemd. Als de beoordelingsrichtlijn is uitgevoerd door derden (zoals Nationale Kennisinstellingen of "Notified Bodies") wordt dit "Derdenbeoordeling" genoemd. Er is in beide gevallen nog geen sprake van "certificering". Die wordt pas afgegeven als een nog vast te stellen uitgebreider richtlijn wordt toegepast met "Derdenbeoordeling".
Als de molen volgens andere (uitgebreider) standaarden is gekeurd (AWEA, IEC of BWEA) dan volstaat het invullen van een datasheet en het overigens in acht nemen van de beoordelingsrichtlijn om het "Kleinwind-keur" te verkrijgen.
De uitgave van het Kleinwind-keur zal worden ondergebracht bij Stichting EPK of bij KIWA, die de naleving van de richtlijn controleert, maar een keus is nog niet gemaakt. De richtlijn sluit aan bij NEN 6702 (Technische grondslagen voor Bouwconstructies) en de CE-markening.
Brancheorganisatie NWEA, waarin een aantal fabrikanten en leveranciers van kleine molens zijn georganiseerd (samen met SenterNovem) "zorgt er voor dat de richtlijn gebruikt wordt voor haar producten".
Een belangrijk onderdeel van de meting is het testen en meten van een turbine gedurende een jaar op locatie, waarbij de meting van de vermogenscurve en het testen van de veiligheid belangrijke onderdelen zijn. Sander Mertens van Ingreenious verwacht daarom dat de eerste"Kleinwind-Keuren" pas in de loop van volgend jaar verwacht mogen worden.
De richtlijn staat bij: SenterNovem-Richtlijn kleine windturbines
16 oktober 2008
Velen hadden zo hun twijfels, maar op het testveld met 10 minimolentjes in het Zeeuwse Schoondijke is gebleken dat het zo aardig ogende molentje voor huishoudelijk gebruik in de stad, de Energy Ball, wel degelijk stroom levert. Gisteren maakten de organisatoren van het testparkje in Schoondijke (energiebedrijf Delta, molenvereniging Zeeuwind, de gemeente Sluis en de provincie Zeeland), de resultaten van tien molentjes bekend over de maanden april t/m september. Het testveld werd in november vorig jaar in gebruik genomen. Het eerste half jaar werd gebruikt om de molentjes "wat op orde" te brengen.
De Energy Ball leverde van april t/m september 21 kWh, voldoende om 1 spaarlamp van 5 Watt continue te laten branden. In een heel jaar wordt de productie ongeveer 76 kWh. Voor dekking van het huishoudelijk gebruik van een gemiddeld gezin (3.400 kWh/jr.) zou men op deze locatie 45 Energy Balls nodig hebben. Dat zou na aftrek van 10% kwantumkorting een investering vergen van bijna 2 ton. Een idiote investering dus (want ook slecht voor het klimaat) en dat geldt eigenlijk voor alle minimolentjes in de test. Alleen de Skystream en de Montana leveren iets wat in de buurt komt van het huishoudelijk verbruik maar dan gaat het al om vrij forse molentjes van bijna 4 tot 5 meter rotordiameter. Dat past al niet meer op het dak van een huis.
Energy Ball V 100
Inmiddels zijn de productiecijfers over de eerste 12 maand bekend. Ook het windaaanbod is bekend (windexen) en hieronder hebben we de gegevens voor u wat inzichtelijk gemaakt en bewerkt naar een aantal kengetallen die vergelijking tussen de molens mogelijk maakt.
Bruto producties minimolens en windex Zeeland eerste 12 maand
De producties volgen de windex (maat voor het windaanbod) redelijk, zodat langdurige storingen niet voorgekomen zullen zijn. Wel is de productie van de WRE 30 en de Turby in april 2008 en van de Turby in jan-febr 2009 erg laag en die van de Skystream in mei opmerkelijk hoog (of in april laag). Woordvoerder Niek Tramper laat weten dat een aantal producties wel verlaagd zijn door verminderde beschikbaarheid (storingen) maar men heeft besloten hier geen cijfers over te publiceren. De molentjes staan overigens niet allemaal op dezelfde ashoogte. Er werd gestreefd naar een tiphoogte van 15 meter maar de leveranciers plaatsten graag een standaard mast zodat afwijkingen van ca. 2 meter (t.o.v. tiphoogte min halve diameter) konden ontstaan. De producties zijn ook niet gecorrigeerd voor parkverliezen. De buitenste molens hebben daar het minst last van maar omdat de lijnopstelling haaks staat op de overheersende zuidwestelijke windrichting, zijn de parkeffecten geminimaliseerd.
Met de windex kan de productie van het eerste volle praktijkjaar worden omgerekend naar die in een windjaar met gemiddeld windaanbod (zie voor uitleg bij windexen). Als we de investeringskosten (molen, mast, fundering, omvormer, regelapparatuur, 10 m. kabel, installatie + montage, 1 jaar garantie) door de jaarproductie delen geeft dat de PPV (Prijs-Prestatie-Verhouding). De jaargemiddelde gemeten windsnelheid op de locatie wordt door de testorganisatie aangeduid als "een indicatieve waarde". Het gemiddelde over de eerste 12 maanden was 3,6 m/s. In onderstaand grafiekje is te zien dat de totale productie aardig gelijk op gaat met het windaanbod maar de laatste 5 maand lijken de molens het gemiddeld beter te doen.
Gegevens en kengetallen van de negen molens, eerste 12 maand
(sommigen hebben een zeer hoog eigenverbruik, zoals de Turby, Skystream en Swift. In de tabel staan de netto producties van april 2008 t/m maart 2009)
Omgerekend naar een jaar met gemiddeld windaanbod (met de windex voor Zeeland) zou de productie van de Skystream op 2.429 kWh uitkomen. Het jaartotaal voor alle molens komt op 8.379 kWh. Het windaanbod in de 12 maand van pril 2008 t/m maart 2009 was slechts 84% van dat in een normaal jaar. ( zie windaanbod en windexen)
De Swift wordt als gevolg van faillissement van de producent niet meer geleverd en is uit de tabel verwijderd. Op het testveld is in april 2009 de Swift vervangen door de Raum 1.3. (productie mei + juni 81 kWh, evenveel als de Passaat).
De prestaties van de molentjes lopen zeer sterk uiteen. De PPV van nummer 3 is al bijna 3 maal zo slecht als van nummer 1. Over de rest hoeven we het dan eigenlijk al niet meer te hebben.
Bekijken we het totaal dan wordt voor een investering van 173.860,- Euro in een 100% windjaar 8.379 kWh geleverd, bij een PPV van gemiddeld 19. Dat betekent dus dat een kWh 23 Euro moet opleveren om de kosten in een jaar terug te verdienen. In werkelijkheid levert een kWh bij huishoudelijk gebruik ongeveer 25 cent op. Daarmee resulteert dus een "terugverdientijd" van gemiddeld 83 jaar. Nummer 1 redt het in bijna 18 jaar als hij al die tijd heel blijft en geen onderhoudskosten zou hebben (de berekening geldt voor de situatie zonder subsidie en als alle stroom in huis "achter de meter" van een kleinverbruiker wordt geleverd)
(Bij deze zeer eenvoudige berekening van de "terugverdientijd" wordt afgezien van veel details die bij de diverse turbines in de praktijk wat uiteen kunnen lopen. Er zijn geen kosten voor onderhoud en service in verwerkt. In de praktijk zullen ook subsidies voor het ene molentje relatief wat gunstiger kunnen uitpakken dan bij de ander. De PPV is slechts een grof getal, maar wel zeer geschikt om een globaal niveau en grove verschillen aan te tonen)
Vlak bij de locatie van het testveld staat al 17 jaar een windmolen van 80 kW op 30 meter ashoogte (Lagerwey LW 18/80). Voor 30.000 Euro meer investering (+ 17%) dan voor de 10 mini's, levert deze 143.000 kWh per jaar (19 maal zo veel). De grootste nu beschikbare turbine van 6 MW zou op de locatie meer dan 20 miljoen kWh leveren. Dat maakt wel duidelijk dat het gedoe met de molentjes in Schoondijke helemaal niets te maken heeft met het op enigszins efficiënte wijze produceren van windstroom. Integendeel, hiervoor geldt wat de tegenstanders beweren over grote turbines: peperduur, ze draaien niet op wind maar op subsidie en helpen niets bij klimaatverandering of stroomvoorziening. Ze verhogen in de meeste gevallen zelfs de CO2-uitstoot, zoals bleek uit twee Engelse onderzoeken (zie hieronder bij CO2).
Ten opzichte van grote turbines hebben mini's maar een voordeel: bij huishoudelijk verbruik besparen ze op de kleinverbruikerprijs van (nu) ongeveer 25 cent per kWh. De waarde van de stroom van grote turbines hangt af van het subsidsysteem maar bedraagt bij de huidige SDE-regeling 2009 "slechts" 9,4 cent. De kleintjes zijn, op particulier niveau gezien, dus veel eerder rendabel omdat bij levering ""achter de meter" vooral de minister van financiën meebetaalt doordat vooral op de BTW en de energiebelasting wordt bespaard (ca. 14 cent per kWh).
Tenslotte moet bedacht worden dat het windaanbod op de locatie redelijk goed is. (op 3 kilometer van de Westerschelde, onder Breskens in Zeeuwsch Vlaanderen) Op locaties in de bebouwde kom of in de stad, ook op daken, en meer in het binnenland moet rekening worden gehouden met producties die veel lager liggen. Alleen op windrijke (kust)locaties, op redelijke ashoogten (minstens 10 meter) en in open gebied buiten de bebouwde kom kunnen de producties hoger uitvallen.
De Groene Rekenkamer (wel een tegenstander van windenergie en ontkenner van klimaatprobleem, maar gek op feiten) belde met 15 eigenaren van kleine molens, zie de ervaringen op: 15 praktijkervaringen verzameld door De Groene Rekenkamer ).
Ondertussen zijn er al weer diverse andere typen mini's op de markt verschenen en er zullen er nog wel meer volgen. ( Op de site all small windturbines worden ruim twee honderd types gedocumenteerd). Voor de prestaties zullen we in veel gevallen moeten afgaan op de blauwe ogen van de leverancier. Alleen de invoering van een typecertificaat, waarbij eigenschappen en prestaties door onafhankelijke deskundigen worden gemeten en gepubliceerd, kan enige duidelijkheid geven over de potentiële prestaties. Maar dan nog, hoe goed dat certificaat ook is, het probleem van windstilte (op daken in stad of dorp) en de onvoorspelbaarheid van het windaanbod op dergelijke locaties, kan ook daarmee niet worden opgelost.
Er wordt gewezen op het beginstadium van de techniek en dat er door uitontwikkeling nog wel degelijk kostprijsverlaging mogelijk is voor kleine molentjes. Helaas, ook dat zit er niet in, afgezien van wat details door technische snufjes. Sinds het eind van de zeventiger jaren van de vorige eeuw, toen de serieproducties van windmolens van rond 30-50 kW op gang kwam, wist men dat kostprijsverlaging vooral te realiseren is door de molens groter te maken. Dat is sindsdien gebeurd. Eerst met hele kleine stapjes en sinds een jaar of tien met hele grote stappen naar de turbines van nu van 5-6 MW en rotordiameters van rond de 125 meter. Volledig gecertificeerd voor 20 jaar levensduur, betrouwbaar, goed voor 20 miljoen kWh/jaar. Wel een investering van rond de 12 miljoen Euro maar aan de kust rendabel zonder een cent subsidie ! Dat traject gaat nog (langzaam) door maar hebben we voor het grootste gedeelte gehad. Gotere mini's zouden maxi's moeten worden om rendabel te worden maar bij 5 meter diameter pasdsen ze al niet meer op het dak!
Meer over kleine molens in: De WindMaand, oktober 2008
Verslag van de presentatiebijeenkomst van 6 maand Schoondijke: P.Z.C.
Meer info over het testveld in Schoondijke bij: Provincie Zeeland .
Zie ook de resultaten en aanbevelingen /tips van een grote praktijktest in Engeland van 2007-2009 bij: Energy Saving Trust.
11 september 2008 De Britse Carbon Trust, een adviesorgaan voor de regering, veegt de vloer aan met het nut van minimolens. Uit een 18 maanden lopend onderzoek naar de praktijk blijkt dat, zelfs als 10% van alle Britse huishoudens een molentje aanschaft dat goedkoper stroom levert dan uit het net (dus op de windrijke locaties), er nog maar 0,4% van de Britse stroombehoefte mee wordt gedekt. Alleen in landelijk gebied aan de kust kan de kostprijs van de opgewekte stroom lager zijn dan van het net. De regering wordt geadviseerd te stoppen met het verstrekken van generieke investeringssubsidies en die te beperken tot locaties waar echt wat CO2 is te besparen. Ook zou een minimale tiphoogte van minstens 11 meter vereist moeten worden en fabrikanten zouden verplicht moeten worden om de CO2-balans (voor 90% van de huishoudens negatief) op hun product te vermelden zodat consumenten een bewuste keus kunnen maken.
Later dit jaar zal een website gelanceerd worden waarop iedereen voor zijn of haar situatie een sommetje kan maken, o.a. rekening houdend met een af te lezen windaanbod op de beoogde locatie.
De Britse Windenergie Associatie (BWEA) kijkt even anders tegen de materie aan. Zij stelt dat de kostprijs van de molentjes nog daalt en de stroomprijs uit het net stijgt en dat er dus een toenemend potentieel is. De 14 Britse fabrikanten melden binnenlandse omzetstijgingen van 80% per jaar. Deze bedrijven hebben een voorsprong en kunnen volgens de BWEA mede door export tienduizenden arbeidsplaatsen opleveren. Zie: Marktonderzoek B.W.E.A.- 2008. (Windpower Monthly)
Het onderzoek bevestigt een eerder onderzoek van de BRET naar het negatieve CO2-rendement van kleine molens. (Zie hieronder bij CO2-rendement.) Het rapport staat bij de Carbon Trust .
Maart 2008
De leider van de Britse Conservatieven David Cameron heeft een mini-molentje in zijn achtertuin in West-Londen. Maar de kans is klein dat hij daarmee iets tegen de klimaatverandering doet. Integendeel.
Uit een onderzoek in opdracht van de Britse regering (Building Research Establishment Trust) blijkt dat de meeste mini-molentjes (aldaar micro wind turbines genoemd) in stedelijke omgevingen de uitstoot van CO2- niet beperken maar vergroten. Bij twee-derde van 96 onderzochte projecten in Manchester bleek dat het geval te zijn. De CO2-uitstoot die veroorzaakt wordt door het bouwen , installeren en onderhouden van de molens wordt zelfs in de gehele 20 jarige levensduur als gevolg van de zeer lage elektriciteitsproductie nooit terugverdiend. Bij molentjes aan de windrijke kust in Portsmouth was dat toch nog bij 30% van de projecten het geval. Alleen op de meest gunstige locaties en bij de meest efficiënte en goedkoopste molentjes kan de CO2-terugverdientijd in stedelijk gebied binnen 20 jaar positief uitpakken.
Ook de financiële terugverdientijden zijn hooguit matig maar veelal slecht tot negatief. De onderzoekers waarschuwen potentiële kopers zich vooraf goed te oriënteren omtrent kosten en baten. Het rapport kan in .pdf voor 42,30 Britse Pond gedownload worden van: http://www.bre.co.uk/.
Zie als voorbeeld van mini-ellende de foto van een Turby aan de Friese westkust. De productie in 2007 beliep 600 kWh en volgens de eigenaar waren er geen technische problemen. De NEG-Micon 48/750 op de voorgrond levert 1.800.000 kWh per jaar en de Vestas V 52 op de achtergrond doet 2.400.000 per jaar. De CO2-terugverdientijd van deze twee turbines is minder dan 3 maand, zo blijkt regelmatig uit Deens en Duits onderzoek.
De Britisch Wind Energie Association (BWEA) heeft in 2007 een standaard ontworpen voor mini-molentjes. Deze is in maart 2008 vernieuwd. De standaard maakt op basis van een 2.000-urentest productvergelijking mogelijk en voorkomt miskopen en hinder voor derden.
Voor een (heel globale) vergelijking van de economie van diverse (mini)windmolens kunt u de investering in Euro's delen door de jaaropbrengst in kWh. Dat geeft dan de PPV (Prijs Prestatie Verhouding) en is in feite de benodigde opbrengst per kWh als u de molen in 1 jaar zou moeten terugverdienen.
Toegepast op bijvoorbeeld de turbines die met de Turby op de foto van hierboven staan, leert dat de twee grote turbines (de Vestas en de NM) een PPV hebben van respectievelijk Euro 0,42 en 0,50 (bij een geschatte investering van Euro 1.200,- per kW). De PPV van de Turby komt op 25 Euro; dus 50 maal zo duur ! (Berekend met een kostprijs van 15.000 Euro volgens een opgave van de fabrikant op de website: Turby ).
Een groot probleem bij minimolentjes is dat de verwachte productie haast niet te berekenen is, zeker niet in bebouwd gebied, op daken en dergelijke. De enige, enigszins betrouwbare oplossing is om uit te gaan van de productie van een bestaand exemplaar op een vergelijkbare locatie (dus bij voorkeur in de buurt, op dezelfde ashoogte, zelfde omgeving). Vergeet niet de productie van het bestaande exemplaar met de windex (zie windexen ) om te rekenen naar een gemiddeld windjaar !
Mini-kolder in V.S.
Het gevaarte is maar liefst 6 meter hoog, heeft dus een rotordiameter van nauwelijks 3 meter maar wel een knol van een generator van 5 kW. Waarschijnlijk komt de wind vanuit de richting waarin men kijkt en moet er een soort "concentrator-effect" optreden. Vele jaren geleden is al gebleken dat dat niet werkt. Het frame levert alleen maar meer turbulentie op. De fabrikant stelt dat het ontwerp vooral is gericht "op het benutten van vlagen en variabele wind". Dat soort wind is echter in principe ongeschikt voor windenergie. We noemen het turbulentie, gekenmerkt door o.a. snelle wisselingen van windsnelheid en windsterkte, waar een molen, door de traagheid van reageren, niets mee kan. Het apparaat moet 35.000 Dollar kosten (maar liefst zeven wieken, kost dus veel materiaal en zorgt voor een erg laag toerental) en dient mijns inziens uitsluitend de omzet van staalfabrikanten. Toch zien investeerders er brood in en belegden begin januari 2008 2 miljoen Dollar voor ontwikkeling en testen op daken van bedrijfsgebouwen.
Inmiddels is vergunning voor netaansluiting verkregen van het Californische energiebedrijf (P.G.E) en in september 2008 werd de eerste molen in Sacramento geplaatst en aangesloten.
Zie voor meer info bij de fabrikant: Marquiss Windpower.
Mini-kolder uit Duitsland
Vergelijkbare kolder komt uit Duitsland, de "Eightwind", een weerstandsmolen (type dakventilator op bestelbusje) ingebouwd in een "doos" met "Venturi-effect". Er is nog niet meer van beschikbaar dan een prototype, folders en wat animaties (zelfs een 75 kW variant staat al bij een wegrestaurant geprojecteerd !) maar velen schijnen aankoop te overwegen. De makers zijn het het er nog niet over eens of het nominale vermogen van 5 kW bij 9,5 m/s (vermogenscurve) of al bij 8,5 m/s (folder) wordt gehaald. Bij een goede, grote windturbine is dat pas bij 12-13 m/s ! De doos van 4 meter ! hoog moet exclusief BTW 25.000 Euro kosten. Zie bij de fabrikant in Münster: Eightwind .
29 mei 2007
In het kader van een Europees onderzoek (WINEUR) naar kleine windmolens in de stedelijke omgeving (zogenaamde Urban Wind Turtbines, UWT's op en bij gebouwen) is door onderzoekers RenCom en Horisun een inventarisatie/handleiding/evaluatie van de Nederlandse ervaringen gemaakt. Nederland is uniek op het gebied van "stadsmolentjes" omdat er maar liefst 14 leveranciers (waarvan acht met een eigen product) actief zijn. Er zijn een kleine zestig minimolens geplaatst en er lopen nog een aantal proefprojecten.
De ervaringen tot nu toe zijn bijzonder slecht. Vergeleken met grote windturbines zijn de kosten ongeveer zes maal zo hoog per geïnstalleerde kilowatt en de opbrengsten zijn niet alleen de helft lager maar ook nagenoeg onvoorspelbaar omdat de specificaties onbetrouwbaar zijn en het windaanbod moeilijk of niet berekenbaar is. Het vermogen van "stadsmolens" is 100% aanvullend op dat van grote turbines maar wel concurrerend met PV. Overige knelpunten en problemen die worden gesignaleerd:
Zelfbouw kleine molens
|
Voor zoekenden naar een minimolen die niet alle informatie op deze pagina wil doornemen, maar de conclusies toch niet wil missen:
Die conclusie is wat mij betreft dat het voorlopig in Nederland niet zinvol is om te gaan experimenteren met kleine molentjes (op het dak) in stad of dorp. Peperduur, veelal onbetrouwbaar, onvoorspelbare opbrengst en slecht voor het klimaat (verhoogt meestal de CO2-uitstoot, zo bleek uit Engels onderzoek). De
groenste (al ruim 9%) en goedkoopste stroom komt dankzij grote windturbines,
zonnepanelen, biomassa-eenheden en waterkracht centrales gewoon uit het
stopcontact. Uw eventuele bijdrage daaraan met een minimolentje is volstrekt
verwaarloosbaar en meestal zelfs negatief omdat het maken van de molen meer
Alleen als u in een open gebied in het windrijke deel van de kustprovincies woont, en buiten stad of dorp en ook nog op minimaal 10 meter ashoogte een bouwvergunning weet te bemachtigen, dan is er misschien iets zinvols te realiseren, op voorwaarde dat u ook nog een betrouwbaar molentje weet te vinden (er zijn tientallen fabrikanten en honderden modellen !) dat het zonder veel storingen 20 jaar volhoudt. Verlang daarvan in ieder geval dat er een "Kleinwind-keur" of een buitenlands certificaat aan is verleend en dat de CO2-balans is berekend met een onafhankelijk advies over de verwachte stroomproductie.
Verder is het natuurlijk prima als u op plaatsen waar geen stopcontact is met een molentje een accuutje wilt laden voor radio of TV, zoals op een boot, in de caravan of bij de volkstuin. Maar ook in die gevallen heeft het niets te maken met duurzame energievoorziening (alleen als alternatief voor bijvoorbeeld een dieselaggregaat) en is een zonnepaneeltje meestal efficiënter / goedkoper.
En ga voor het overige gerust uw gang als u geld over heeft, interessant wilt doen voor de buren of een groen imago wilt suggereren voor uw klanten.
Als u beslist zelf iets wilt met windenergie, koop dan een aandeel in een windmolencoöperatie of investeer in wind op zee bij Meewind. Wordt gegarandeerd terugbetaald in 10-15 jaar en geeft jaarlijks 7-10% rente ! Zie adressen Nederlandse windmolencoöperaties en bij: Meewind .
WSH, Jaap Langenbach, 1 maart 2010
------------------------
NOS-Journaal 12 april 2009
Op 12 april had het NOS-Journaal een item over kleine molens n.a.v. de test in Schoondijke onder de titel "Kleine molens leveren weinig op". De eigenmaar van een Energy Ball vertelt hoe de stroom "naar het stopcontact gaat en hoe je daar het hele jaar mee kan boren", een kijkje in de werkplaats van Energy Ball en een statement van onderzoeker Sander Mertens van bureau Ingreenious. Zie: NOS-Journaal en interview Mertens op Radio 1.
Kosten, baten en ervaringen van de Energy Ball
Voor een uitgebreide bespreking van de economie van de Energy Ball, zie Low Tech Magazine , en de reactie daar van een teleurgestelde eigenaar:
-------------------
Geen minimolentjes in Tytsjerksteradiel
It kolleezje fan Tytsjerksteradiel hat besletten om de pilot mei lytsskalige enerzjy-opwekking (wâldmûntsjes) net troch te setten. It docht bliken dat de ferwachte opbringst fan de Wâldmûntjes te leech is. Maart 2009, meer op: noordoostfriesland.nl
------------------- Heusden De gemeente Heusden gaat volgend jaar op plaatsen waar veel mensen komen twee demonstratiemolens plaatsen met informatie over kosten en baten voor potentiële kopers. Het gaat om een Energy Ball en een "molentje in de vorm van een wiel". Brabants Dagblad 11-10-08
Rotterdam Ruim 150 huishoudens in de Rotterdamse wijk Schiemond krijgen groene stroom van windmolens en zonnepanelen op de daken van hun woningen. Wooncorporatie Woonbron, energiebedrijf Qurrent, windturbinebouwer DonQI en de gemeente Rotterdam werken samen.
Amsterdam De gemeente geeft een investeringssubsidie van 2.270 Euro voor molentjes tot 10 kW. Info bij: Actie "Amsterdam- Zon op je Dak" .
Provincie Utrecht De Provincie stelt minimolens beschikbaar aan scholen in de provincie. Scholengemeenschap De Amersfoortse Berg kreeg in april '08 de eerste. Ook twee scholen in Woerden en een in Utrecht krijgen er een (allen Energy Ball). Contact: doron-verstraelen@Provincie-Utrecht.nl
Leeuwarden De gemeente heeft al jaren een Turby op het dak van het gemeentehuis. Zie: Webcam (video) Turby Leeuwarden . In verband met technische en geluid-problemen draait hij nooit. ----------------
Zaanse windmolentjes niet op schooldak
--------------
Dreischor, Zeeland
De twist rond de windmolen van Hans van der Wekken aan de Bogerdweg in Dreischor duurt voort. Een aantal omwonenden
wil de windmolen weg hebben omdat deze geluidsoverlast zou veroorzaken. Van der
Wekken bestrijdt dat, maar moet nu met bewijzen komen dat de molen aan de
gestelde geluidseisen voldoet.
De omstreden windmolen draait wegens een technisch defect overigens momenteel niet. (u ziet op het fotootje dat de onderste wiek aan de mast is vastgebonden).
Provinciale Zeeuwse Courant,, 2 september 2008
Zie ook: Vergunningproblemen voor kleine molens en 20 reacties van lezers.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Jaap Langenbach Dwerssteech 8 8551 SB Wâldsein Fryslân, Nederland, Tel. + 31 514 - 592 536
Member of WWEA |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||