Terug naar homepage

Oefenvragen voor week 19
De antwoorden worden eind week 19 geplaatst

1.1
25.10-3 * 2.10-7 is gelijk aan


A
 5.10-10

B
 5.10-9

C
50.104

D
50.1021



1.2

Een stroom loopt door een metalen draad. Dit betekent:



A
atoomkernen bewegen in een bepaalde richting

B
elektronen bewegen in een bepaalde richting

C
geladen metaalatomen bewegen in een bepaalde richting

D
molekulen bewegen in een bepaalde richting



1.3
Op een batterij van 12 V sluiten we een weerstand van 60 ohm aan. Er gaat dan een stroom lopen van

A
0,2 A

B
1 A

C
2,4 A

D
5 A



1.4
Op een spanningsbron van 20 volt sluiten we een weerstand aan. Er gaat een stroom lopen van 0,1 A. De waarde van de weerstand is:

A
0,005 ohm

B
20 ohm

C
200 ohm

D
4000 ohm



1.5
Op een spanningsbron wordt een weerstand van 80 ohm aangesloten. Er gaat een stroom van 4 A lopen. De spanningsbron levert een spanning van:

A
0,05 V

B
20 V

C
320 V

D
1280 V
1.6
Zie nevenstaande figuur. De punten A en C worden op een spannings-bron aangesloten De stromen door resp R1 , R2 en R3 noem ik resp I1, I2 en I3.  Wat is waar ?

A I1= I2

B I2= I3

C I1 + I2 = I3

D
I1 = I2 + I3

Terug naar homepage