Terug naar homepage
Vragen voor week 20 met de bijbehorende antwoorden.


1.7
Zie nevenstaande figuur: V1 is een accu van 5 V; R1 = 15 ohm; R2 = 10 ohm In de keten loopt een stroom van 0,6 A in de richting ADCBA. De spanning van de andere accu (V2) is dus



A 6 V


B 9 V


C 15 V


D 20 V


Juiste antwoord: de totale weerstand is 15 + 10 = 25 ohm. Om daar 0,6 A stroom door te krijgen moet er een totale spanning van U = I x R = 0,6 * 25 = 15 volt. Batterij V1 levert een spanning van 5 V en wil de stroom rechtsom laten lopen. De stroom loopt echter linksom, dus batterij V2 wil de stroom de andere kant op laten lopen. Om een totale spanning van 15 volt te krijgen moet de spanning V2 dan 20 volt zijn: door de tegenwerkende spanning van 5 volt hou je dan 15 volt over.
D is dus het goede antwoord.



1.8
We sluiten een voltmeter aan op de punten A en C. De spanning die we dan meten is:

A 6 V


B 14 V


C 15 V


D 25 V


Juiste antwoord: Over R1 staat een spanning van U = I x R = 0,6 * 15 = 9 V. In deze weerstand loopt de stroom naar links dus is rechts + en links – (zie figuur). Als we van A naar C gaan, gaan we dus eerst 9 volt omhoog en daarna over V1 nog 5 V omhoog, dus totaal 14 V omhoog. Het spanningsverschil tussen A en C is dus 14 volt. Andere manier: Over R2 staat U = I x R = 6 V. Van A naar D gaan we met 20 V omhoog, daarna 6 V omlaag is 20-6 =14 volt verschil.

Antwoord B is dus goed.



1.9
Een weerstand van 20 ohm wordt aangesloten op een spanningsbron van 30 volt. Er wordt nu een vermogen ontwikkeld van

A 30 W


B 45 W


C 60 W


D 600 W


Juiste antwoord : De formule is hier het snelste . Een andere mogelijkheid is : eerst de stroom berekenen met en vervolgens 



1.10
Een strijkijzer van 230 volt, 1000 watt heeft een elektrische weerstand van ongeveer

A  0,02 Ω

B  4 Ω

C  53 Ω

D  4 kΩ

Juiste antwoord: spanning (U) en vermogen (P) zijn gegeven. De weerstand (R) wordt gevraagd. De formule  geeft het verband tussen deze drie grootheden. Kruiselings verwisselen van P en R levert :   dus antwoord C is het goede antwoord

1.11
Een geluidsversterker levert aan de luidsprekers een vermogen van totaal 40 watt.
De versterker trekt uit het 230 volt net daarbij een stroom van 0,50 A.

a. Bereken het rendement van deze versterker.  

b. Bereken hoeveel warmte deze versterker levert.

c. Bereken hoeveel kWh energie deze versterker bij dit vermogen gebruikt als we hem 24 uur aan laten staan.

Antwoord: a. De versterker trekt uit het 230 volt net een vermogen van P = U . I = 230 . 0,5 = 115  watt
Het uitgangsvermogen is 40 watt, dus het rendement is 
b: Er gaat 115 watt elektrisch vermogen de versterker in, en er gaat 40 watt weer elektrisch uit. De rest is warmte, dus 115 - 40 = 75 watt warmte
c: 115 watt is = 0,115 kW. Dus: 0,115 kW . 24 h = 2,76 kWh
1.12
We hebben een weerstand van 100 Ω nodig. Ik heb die niet in voorraad, maar ik heb wel twee weerstanden van 50 Ω. Op de ene staat gedrukt: 50 Ω 2 W en op de andere 50 Ω 3 W. Ik schakel ze in serie om zo een weerstand van 100 Ω te maken . Hoeveel vermogen mag ik deze weerstanden maximaal samen laten leveren zonder overbelasting te krijgen:

A 2 W

B 4 W

C 5 W

D 6 W

Antwoord: ik noem de 2 W weerstand even R1 en de 3 W weerstand R2. Ze staan in serie, dus er gaat dezelfde stroomsterkte (I) door heen, daarnaast hebben ze ook allebei dezelfde weerstandswaarde (R = 50 ohm). Ze leveren dus ook allebei het zelfde vermogen (P), want P = I2 . R Op het moment dat we weerstand R1 tot zijn maximum belasten (2W), dissipeert R2 dus ook 2 W (dan kan een 3 W weerstand wel hebben) en is het totaal dus 4 W. Antwoord B is dus het juiste antwoord. Als we R2 tot 3 W gaan belasten wordt de dissipatie van R1 ook 3 W en dat is teveel voor een 2 W weerstand: we hebben dan een  overbelasting op R1 en dat is niet de bedoeling

Terug naar homepage