Vragen voor week 23. inclusief antwoorden en uitwerkingen


1.23
Een wisselspanning heeft een frequentie van 50 Hz. De periodetijd is dan 

A
10 ms

B
20 ms

C
50 ms

D
100 ms


Omrekenen naar milliseconden: 0,02 s = 0,02 * 1000 ms = 20 ms Antwoord B is dus goed.
1.24
Bij een frequentie van 20 MHz is de periodetijd: 

A
1,5 μs

B
20 μs

C
50 ns

D
15 s



Antwoord C is dus goed. Op een rekenmachine kun je de deling door 20.106 voor elkaar krijgen met de volgende toetsen:  Op sommige rekenmachines komt de toets EE niet voor maar wel de toets EXP, die hetzelfde effect heeft . 
1.25.
Een harmonische wisselspanning van 100 Hz heeft op een bepaald moment een momentane spanning van 0 V. Na hoeveel tijd is de spanning voor het eerst weer 0 V ? 

A
na 2,5 ms

B
na 5 ms

C
na 10 ms

D
na 20 ms

De periodetijd berekenen:   0,01 s is 0,01 ∙ 1000 = 10 ms (want er zitten 1000 ms in een seconde) De tijd tussen twee momenten waarop de spanning nul is, is een halve periode (zie de pijlen in onderstaande figuur). Hier zit dus een tijd tussen van ½ van 10 ms, dus 5 ms. Antwoord B is dus goed

1.26
Een gloeilamp van 230 volt wordt aangesloten op een het lichtnet. De spanning van het lichtnet is hier precies 230 volt. Als ik de lamp weer loskoppel en vervolgens verbind met een gelijkspanningsbron, dan geeft hij evenveel licht. De spanning van deze gelijkspanningsbron is dan 

A
115 V

B
163 V

C
230 V

D
325 V

Bij wisselspanningen wordt de effectieve spanning opgegeven. “De spanning van het lichtnet is 230 volt “ wil zeggen dat de effectieve spanning 230 volt is en dat die lamp op 230 volt gelijkspanning evenveel licht geeft. Dus antwoord C is juist.
1.27
Van een sinusvormige wisselspanning is de frequentie 50 Hz en de topspanning 100 V. Op deze spanning sluiten we een weerstand van 50 ohm aan. Het vermogen is dan:

A
25 W

B
100 W

C
140 W

D
200 W

Voor het berekenen van het vermogen moeten we de effectieve spanning weten dus die wordt eerst berekend:
Dus: antwoord B is juist
1.28
Een blokgolf wordt op een oscilloscoop vertoond en dat levert de volgende spanningsgrafiek:

Ook hier sluiten we een 50 ohms weerstand aan. Het gemiddelde vermogen is dan:

A
25 W

B
100 W

C
140 W

D
200 W

Tijdens de eerst 0,5 ms is het vermogen gelijk aan :
 
Antwoord B is dus juist

Terug naar homepage