Vragen voor week 24.
 
1.29
Onderstaande figuur is het spanningsdiagram van een wisselspanning.



 









De periodetijd van deze wisselspanning is

A
60 ms

B
90 ms

C
120 ms

D
180 ms



Een periode loopt hier b.v. van 0 tot 180 ms, daarna begint het patroon opnieuw. Dus antwoord D is goed. Antwoord B is niet goed want de grafiek loopt bij 0 ms anders omhoog dan bij 90 ms.
1.30
Het faseverschil tussen de wisselspanningen
 die hier uitgezet zijn is



A
45 graden

B
90 graden

C
100 graden

D
180 graden

Kies twee punten waar de twee grafieken door nul omhoog gaan (Zie de twee pijlen in de figuur. De afstand tussen de twee punten is een kwart van een periode, dus een kwart van 360 graden, is 90 graden Antwoord B is dus goed
1.31
De uitgangsspanning van een zender wordt op een oscilloscoop zichtbaar gemaakt. Zie nevenstaande figuur. Dit is een zender met als modulatie


A
AM

B
CW

C
FM

D
FSK

We zien in de figuur een spanning met een veranderende amplitude. FM of FSK kan het dus niet zijn. CW is het ook niet want bij CW is de amplitude een tijdje constant . AM is dus de modulatie die hier gebruikt wordt. De omhullende geeft het LF signaal aan Antwoord A is dus juist

1.32
Wat is de juiste volgorde van lage naar hoge bandbreedte ?

A
SSB CW FM AM

B
SSB AM FM CW

C
CW SSB AM FM

D
FM CW AM SSB

De juist volgorde is CW (paar honderd hertz) , SSB (circa 3 kHz) , AM (ca 6 kHz bij amateurs), FM (ca 12 kHz). Dus antwoord C is goed

1.33
Een bandbreedte van 12 kHz is bij zendamateurs normaal bij 

A
AM

B
CW

C
FM

D
SSB

FM heeft bij de bij amateurs gebruikelijke instellingen ( hoogste modulatiefrequentie 3 kHz en zwaai 3 kHz) een bandbreedte van ongeveer 2*3 + 2*3 = 12 kHz Antwoord C is dus goed

Terug naar homepage