Vragen voor week 35 inclusief uitwerkingen.


2.10
Bij een condensator waar wisselspanning op gezet wordt loopt een wisselstroom. Deze wisselstroom loopt ………. t.o.v. de wisselspanning. Ingevuld moet worden:

A
90 graden voor

B
45 graden voor 

C
45 graden achter

D
90 graden achter



In bovenstaande grafiek loopt tussen de tijdstippen A en C een stroom in positieve richting. Hierdoor wordt de condensator steeds verder opgeladen. Bij punt C keert de stroom van richting om, hierdoor gaat de condensator eerst ontladen en wordt dan uiteindelijk negatief geladen, tot punt D. In de tekening is het faseverschil AB gelijk aan ¼ deel van AD, dus ¼ van 360 graden dus 90 graden. We zien dat de stroom voor loopt op de spanning. Antwoord A is goed

2.11
Twee condensator van 10 nF en 20 nF worden in serie geschakeld. De vervangcapaciteit van deze schakeling is

A
0,15 nF 

B
 6,7 nF 

C
15 nF 

D
30 nF

Voor de vervangcapaciteit van een serieschakeling van condensatoren zijn twee bruikbare formules :
(vergelijk de formules voor parallele weerstanden) Invullen :


Dus antwoord B is juist

2.12
Twee condensator van 10 nF en 20 nF worden in parallel geschakeld. De vervangcapaciteit van deze schakeling is 

A
0,15 nF 

B
6,7 nF 

C
15 nF 

D
30 nF

Bij een parallelschakeling van condensatoren mag je de capaciteiten optellen: Hier dus 10 + 20 = 30 nF Antwoord D is dus goed

2.13
De waarde van een zelfinductie wordt aangegeven in 

A
farad 

B
henry

C
hertz

D
ohm

De eenheid van zelfinductie is de henry. Dus antwoord B is goed. ( farad is de eenheid van capaciteit, hertz de eenheid van frequentie en ohm de eenheid van weerstand)

2.14
De waarde van de zelfinductie van een spoel hangt niet af van

A
het aantal windingen van de spoel

B
de lengte van de spoel

C
het soort draad waar de spoel mee gewikkeld is

D
het soort kernmateriaal waar de spoel op gewikkeld is

Het goede antwoord is C. De zelfinductie hangt niet af van het soort draad. De kwaliteit van de spoel kan hier overigens wel van af hangen

2.15
We sturen een 50 Hz stroom van 2 mA door een spoel met een zelfinductie van 88 mH. Hoeveel spanning staat er dan over de spoel

A
72 μV

B
55 mV

C
13 V

D
18 V

Bereken eerst de wisselstroomweerstand van de spoel: XL = 2 . π. f. L = 2 . 3,14 . 50. 88.10-3 = 27,6 ohm
Wet van ohm: U = I . R of voor wisselspanning u = i . X = 2.10-3 . 27,6 = 0,055 V = 55 mV
Dus antwoord B is goed

2.16
Bij een spoel waar wisselspanning op gezet wordt loopt een wisselstroom. Deze wisselstroom loopt ………. t.o.v. de wisselspanning. Ingevuld moet worden 

A
90 graden voor 

B
45 graden voor

C
45 graden achter

D
90 graden achter


Bij een spoel moet eerst een spanning zijn om de stroom te laten toenemen of afnemen. Hierdoor is de spanning voor op de stroom

Zolang de spanning positief is (dat is tussen A en C) kan de stroom toenemen , daarnee neemt de stroom af. Het faseverschil AB is ¼ deel van de periode AD, dus ¼ van 360 graden, dus 90 graden. Antwoord D is juist

Terug naar homepage