Vragen voor week 36 inclusief uitwerkingen


2.17
Het huideffect van een spoel wordt verminderd door 

A
een hogere frequentie te nemen 

B
litzedraad te gebruiken 

C
huidcreme te gebruiken 

D
mumetaal te gebruiken

Antwoord B is juist: doordat de adertjes in litzedraad onderling geisoleerd zijn kan de stroom niet zo makkelijk naar de buitenkant van het litzedraad gaan. Bij een hogere frequentie wordt het huideffect sterker, daardoor is antwoord A niet goed

2.18
Bewering 1: verliezen kunnen ontstaan in de wikkelingen van een transformator
Bewering 2: verliezen kunnen ontstaan in de kern van een transformator
Wat is waar ? 

A
alleen bewering 1

B
alleen bewering 2

C
beide beweringen zijn waar

D
geen van beide beweringen is waar

In de wikkelingen kunnen verliezen ontstaan door de weerstand va het gebruikte draad In de kern kunnen verliezen ontstaan door kringstroompjes in het metaal van de kern Antwoord C is dus goed

2.19  Wat is waar bij een ideale transformator ?

A
up . np = us . ns 

B
up . ns = us . np

C
up . us = np . ns

D
up + np = us + ns

De formule levert na kruiselings vermenigvuldigen (linksboven * rechtsonder = rechtsboven * linksonder) antwoord B. Dus antwoord B is goed

2.20
Een transformator heeft aan de primaire kant 400 windingen en aan de secundaire kant 200 windingen. We sluiten de primaire kant aan op 120 volt wisselspanning. De secundaire spanning is: 

A
30 volt 

B
60 volt

C
240 volt

D
480 volt


Dus antwoord B is goed

2.21
De transformator van vraag 2.20 gebruiken we als impedantietransformator. Aan de secundaire sluiten we een impedantie van 60 ohm aan. Aan de prmiaire kant meten we dan: 

A
15 ohm

B
30 ohm

C
120 ohm

D
240 ohm


Dus antwoord D is goed

2.22
Bewering 1: bij een transformator is de secundaire spanning altijd kleiner dan de primaire spanning
Bewering 2: bij een transformator is de secundaire stroomsterkte altijd kleiner dan de primaire stroomsterkte.
Wat is waar ?

A
alleen bewering 1

B
alleen bewering 2

C
beide beweringen zijn waar

D
geen van beide beweringen is waar

Bewering 1 is niet juist: de secundaire spanning kan ook groter zijn de primaire spanning Bewering 2 is niet juist: de secundaire stroom kan ook groter zijn dan de primaire stroom. Antwoord D is dus goed

2.23
Bij een ideale transformator is aan primaire en aan secundaire kant:

A
dezelfde impedantie

B
dezelfde spanning

C
dezelfde stroomsterkte

D
hetzelfde vermogen

Bij vermogen is , in het geval van een ideale transformator, het secundaire vermogen gelijk aan het primaire vermogen, dus antwoord D is goed. In de praktijk heeft een transformator altijd wel wat verlies en dan is het secundaire vermogen wat kleiner dan het primaire vermogen

Terug naar homepage