Vragen voor week 39 inclusief uitwerkingen.


2.35
De stroomversterking hfe van een transistor is gelijk aan 

A
Ie / Ib 

B
Ic / Ie 

C
Ic / Ib 

D
Ie / Ic

De stroomversterking hfe is gedefinieerd als Ic / Ib , antwoord C is dus juist

2.36
In de getekende schakeling geldt:
Voedingsspanning is 12 V
Rb1 = 50 k
Rb2 = 10 k
Ube = 0,7 V
Re = 1 k
Rc = 2 k



De stroom Ie is hier circa . 

A
0,2 mA

B
1,3 mA

C
2 mA

D
4 mA

Zie ook de figuur rechts. De voedingsspanning van 12 volt staat over de serieschakeling van Rb1 en Rb2 . De totale weerstand is daar 50 k + 10 k =60 k. (De basisstroom is verwaarloosbaar). De 12 volt spanning verdeeld zich over Rb1 en Rb2 als 50 k : 10 k = 5:1. Over Rb1 staat dan 5/6 van de totale spanning en over Rb2 1/6 deel . Als we de onderkant van Rb2  0 volt noemen, staat op de basis dus een spanning van 1/6 deel van 12 volt, dat is 2 volt. Ube is hier 0,7 volt. waarbij de basis-emitterdiode in doorlaatrichting staat: dus Ue kleiner dan Ub ( de pijl in het transistorsymbool geeft de doorlaatrichting aan) Ue is dus 0,7 volt lager dan Ub, dus Ue = 2 – 0,7 = 1,3 volt De onderkant van Re staat op 0 volt, de bovenkant op 1,3 volt. Er loopt door Re dus een stroom van:  Antwoord B is dus juist.

2.37
Als we in de schakeling van vraag 2.36 een voltmeter over Rc aansluiten dan wijst die aan: 

A
1,3 V 

B
2 V

C
2,6 V 

D
4 V

De emitterstroom van 1,3 mA (zie vorige vraag) loopt ook door de collector en door Rc (de basisstroom is verwaarloosbaar klein). Voor de spanning over Rc geldt dan U = I . R = 1,3 mA . 2 k = 0,0013 . 2000 = 2,6 V Dus antwoord C is juist.

2.38
Zie de gegevens bij vraag 2. 36
De dissipatie van de transistor is hier circa

A
1 mW

B
7 mW

C
11 mW

D
48 mW

Zie ook de figuur De dissipatie wordt vooral bepaald door de collectorstroom en de collector-emitter spanning Over Rc valt 2,6 volt (zie vraag 2.37) dus op de collector staat een spanning van 12-2,6 = 9,4 volt Op de emitter staat 1,3 volt (zie vraag 2.36) dus de collector-emitterspanning is 9,4-1,3 = 8,1 V Bij een stroom van 1,3 mA krijgen we dan:
P = Uce . Ic = 8,1 . 1,3 mA = 11 mW. Dus antwoord C is goed

2.39
Zie de gegevens bij vraag 2.36
Bewering 1: als we de waarde van Rb1 verkleinen neemt de spanning over Rc toe
Bewering 2: als we de waarde van Re verkleinen neemt de spanning over Rc toe
Wat is waar ?  

A
alleen bewering 1

B
alleen bewering 2

C
beide beweringen

D
geen van beiden beweringen

Als we Rb1 verkleinen neemt de spanning op de basis toe (denk b.v. even Rb1=0 dan wordt de basisspanning 12 V). Als de basisspanning toeneemt, wordt de spanning op de emitter ook groter (het verschil blijft 0,7 V) , en daardoor ook de stroom door Re. Als de emitterstroom toeneemt neemt de collectorstroom ook toe en dus ook de spanning over Rc. Bewering 1 is dus waar`. Als we Re verkleinen terwijl de emitterspanning 1,3 V blijft, zal de stroom door Re toenemen. Als de emitterstroom toeneemt neemt de collectorstroom ook toe en dus ook de spanning over Rc. Bewering 2 is dus ook waar. Antwoord C is juist

2.40
Als we van de schakeling van vraag 2.36 een wisselspanningsversterker willen maken, moeten we aan de schakeling nog toevoegen:

A
een weerstand

B
twee weerstanden

C
een condensator

D
twee condensatoren

 Zowel bij de ingang als de uitgang moet een scheidingscondensator toegevoegd worden . Bijvoorbeeld op de manier zoals in de figuur getekend staat (gem. emitter schakeling)
Antwoord D is dus juist

Terug naar homepage