Vragen voor week 43 inclusief uitwerkingen


3.1
We schakelen een weerstand van 50 ohm 1 W en een weerstand van 50 ohm 2 W in serie. Deze schakeling kunnen we zien als een weerstand van 

A
25 ohm 2 W

B
25 ohm 3 W

C
100 ohm 2 W

D
100 ohm 3 W

In een serieschakeling gaat door beide weerstanden dezelfde de stroomsterkte, aangezien ze ook dezelfde weerstandswaarde hebben leveren ze ook hetzelfde vermogen, want P = I2.R . Als de stroom zodanig opgelopen is dat elk van de weerstanden 1 watt levert zitten we dus aan het maximum vermogen dat hier haalbaar. Het totale vermogen is dan 1 + 1 = 2 W. De weerstanden van een serieschakeling kunnen we optellen om de vervangingsweerstand te vinden:
50 + 50 = 100 ohm Antwoord C is dus juist.
3.2
We schakelen een weerstand van 50 ohm 1 W en een weerstand van 50 ohm 2 W in parallel. Deze schakeling kunnen we zien als een weerstand van

A
25 ohm 2 W

B
25 ohm 3 W

C
100 ohm 2 W

D
100 ohm 3 W

In de parallelschakeling ondervinden de twee weerstanden dezelfde spanning. De weerstanden hebben ook dezelfde weerstandswaarde en daardoor ook hetzelfee vermogen. ( P = U2/ R). We mogen de spanning dus niet groter maken dan de spanning waarbij de weerstanden 1 W dissiperen. De totale dissipatie is dan 2 W. Voor de vervangweerstand geldt nu:
Antwoord A is dus goed
3.3
In deze schakeling geldt R1 = 1 k; R2 = 1 k; R3 = 1 k; R4 = 4 k;
R5 = 2 k; R6 = 1 k; R7 = 2 k; R8 = 2 k
Hoe groot is de weerstand die we meten tussen A en B 

A
4 k

B
6 k

C
8 k

D
10 k

R1 en R2 staan in serie, de vervangweerstand is 1 k + 1 k = 2 k  
R3, R5 en R6 staan in serie, de vervangweerstand is 1 k + 2 k + 1 k = 4 k
R7 en R8 staan in serie, de vervangweerstand is 2 k + 2 k = 4 k
Daarmee kunnen we de schakeling vereenvoudigen tot:

Tussen de punten C en D vinden we nu twee parallel geschakelde weerstanden van elk 4 k .
De vervangweerstand hiervan is De schakeling wordt nu nog eenvoudiger:

De totale weerstand wordt hiermee 2 k + 2 k + 4 k = 8 k Antwoord C is dus juist

3.4
We zetten tussen de punten A en B van bovenstaande schakeling (zie vraag 3.3) een spanning van 16 volt. . De spanning over R5 is dan : 

A
0,5 V

B
1 V

C
2 V

D
4 V

In keten loopt een stroom van Tussen C en D zit een weerstand van 2 k (zie vraag 3.3) dus de spanning tussen C en D is te berekenen:
UCD = I . R = 0,002 . 2000 = 4 V. De tak waar R5 in zit (R3, R5 en R6) heeft een totale weerstand van 4 k dus daar loopt een stroom van
Over R5 staat dan een spanning van U = I . R = 0,001 . 2000 = 2 V
Antwoord C is goed
3.5
We demonteren in de schakeling (zie vraag 3.3 en 3.4) weerstand R4. De totale weerstand tussen A en B wordt dan: 

A
4 k

B
6 k

C
8 k

D
10 k


Als we R4 weghalen staan alle overgebleven weerstanden in serie: optellen levert:
1 k + 1 k + 1 k + 2 k + 1 k + 2 k + 2 k = 10 k   Antwoord D is goed

Terug naar homepage